De dag waarop je voor een huis staat… (Peter Verhelst)

Het volgende gedicht komt uit de bundel Nachtatlas (2025) van Peter Verhelst: 

De dag waarop je voor een huis staat en eerst merk je het niet op,
het duurt tot het beweegt in de ruit voor het gezicht zich vormt,
niet eerder herkende je de herinnering die je aankijkt. 

Niet achter maar in het glas, niet in het glas maar in het zand
dat verhit moest worden voor het vloeibaar werd. Niet in het zand 
maar in het lichaam dat plaatsnam op het zand en dat nog niets 

van de toekomst wist maar ook niets meer van het verleden en dus niets 
van herinneringen. Dus ook niet van de man die zich ontkleedde en de schoenen 
naast elkaar zette en zijn opgevouwen broek en hemd op de schoenen legde.

Een meeuw keek toe. Niet die blik op zich, maar de leegte 
waarmee de vogel naar het lichaam keek, het woordeloze, betekenisloze. 
De zwevende meeuw kijkt naar een lichaam dat de zee in stapt en verdwijnt 

alsof het over de zeebodem naar een nieuw Amerika loopt en de meeuw zweeft 
tegen de wind in en jij gaat op het zand zitten naast de schoenen en ziet 
hoe de man, voor hij in de golven verdwijnt, nog een keer omkijkt 

en de herinnering begint eindelijk in je te groeien, de celdeling ervan, en je 
ziet de zwevende meeuw en je ziet eerst betekenisloosheid en dan pas
de blik van de man – tot diep in de nacht blijf je aan het water zitten

en ‘s ochtends neem je hemd en broek en schoenen
en stap je door de duinen naar je auto. Maar eerst stuit je op een verlaten huis 
en als je naar binnen kijkt zie je jezelf naar buiten kijken 

zonder blik van herkenning maar ook zonder verdriet,
zoals achter een ruit van ijs
een meeuw ter plaatse blijft zweven.

Een nachtatlas is een verzameling kaarten die je helpen navigeren door de nacht en dus door je dromen. Het gedicht laat zich inderdaad lezen als een droom, met vormen die vanzelfsprekend in elkaar overgaan (een beeld achter het glas verplaatst zich naar in het glas, wordt het glas, wordt zand, wordt een strand…). Net als in dromen zijn er veranderingen van plaats en personages, die zich even plotseling als vloeiend voltrekken.

En net als in een droom is het gedicht geluidloos. Hoe vaker je het leest, hoe stiller het lijkt te worden. Er wordt gekeken, geobserveerd, door de jij die geadresseerd wordt en door de zwevende van de meeuw, maar het gebeurt in stilte. Het gedicht staat in de eerste afdeling van de bundel, getiteld Mijn liefste ze spreekt zoals stilte (een vertaling van de eerste zin van Bob Dylan’s Love Minus Zero/No Limit). Veel van de gedichten gaan in die afdeling gaan expliciet over stilte, in dit gedicht blijft het impliciet.

Een landkaart van een droom dus. Laten we die kaart proberen te lezen. Er blijken vele paden te zijn die de lezer kan volgen. Ik kies er hier één van; en ben me ervan bewust dat andere lezingen mogelijk zijn. De keuze voor mijn route is ingegeven doordat dit in mijn ogen de meest betekenisvolle weg door het gedicht is; het pad dat mij mooist voorkwam.

Qua vorm bestaat het gedicht uit acht strofen, die allemaal zijn opgebouwd uit drie versregels. Wie ‘iconische’ elementen zoekt in dit zeegedicht (dat wil zeggen, kenmerken van het gedicht waarin de vorm de inhoud ondersteunt), kan in dat regelmatige patroon de golven zien van donkere strofentroggen met daartussen het schuim van de witregels. 

De regels zijn niet metrisch en rijmen niet. Er zijn meerdere lange zinnen, die mede door de vele ontkenningen een golvend (opnieuw: iconisch), voortstuwend karakter hebben. In de tweede strofe lijkt het bijvoorbeeld alsof na elk ‘niet’ een golf met ritselende schelpjes aanspoelt. Ten slotte is het gedicht, net als golven, cyclisch: het eindigt met dezelfde situatie als waarin het begon, van de je die zijn spiegelbeeld in een raam ziet.

In de eerste strofe is sprake van een ‘herinnering die je aankijkt’. De je ziet zichzelf bewegen in de spiegeling van het raam en kijkt niet alleen naar zelf, maar voelt zichzelf ook bekeken. En niet alleen door zichzelf, maar door een herinnering – alsof die los te zien is van zichzelf.

De herinnering laat zich niet makkelijk vatten, ondanks steeds nieuwe pogingen ontglipt die de je steeds. Die herinnering zit

Niet achter maar in het glas, niet in het glas maar in het zand
dat verhit moest worden voor het vloeibaar werd. Niet in het zand 
maar in het lichaam dat plaatsnam op het zand en dat nog niets 

van de toekomst wist maar ook niets meer van het verleden en dus niets 
van herinneringen. 

Glas is letterlijk van vloeibaar zand gemaakt, maar dit zand lijkt ook drijfzand. Zo beweegt de gedachte, of de droom, zich van de ruit, via de grondstof van glas, naar het strand, waar de herinnering uiteindelijk toegeschreven wordt aan ‘een lichaam’ – maar wel een lichaam dat zelf niets weet van herinneringen. Het enjambement na ‘niets’ suggereert zelfs dat dit lichaam helemaal niets weet.

          Dus ook niet van de man die zich ontkleedde en de schoenen 
naast elkaar zette en zijn opgevouwen broek en hemd op de schoenen legde.

Een meeuw keek toe. Niet die blik op zich, maar de leegte 
waarmee de vogel naar het lichaam keek, het woordeloze, betekenisloze. 

Hier worden twee nieuwe personages geïntroduceerd. In de eerste plaats een man, waar het op het zand gezeten lichaam niet van weet. Daarnaast de meeuw, die toekijkt hoe de man zich ontkleedt, netjes zijn schoenen naast elkaar zet, zijn broek eerst keurig opvouwt en dan met zijn hemd op de schoenen legt. De meeuw ziet het aan, met een lege, betekenisloze blik wacht hij af wat er staat te gebeuren.

En dan volgt de ontknoping, in een lange zin die zich over vier strofen uitstrekt:

De zwevende meeuw kijkt naar een lichaam dat de zee in stapt en verdwijnt

alsof het over de zeebodem naar een nieuw Amerika loopt en de meeuw zweeft 
tegen de wind in en jij gaat op het zand zitten naast de schoenen en ziet 
hoe de man, voor hij in de golven verdwijnt, nog een keer omkijkt 

en de herinnering begint eindelijk in je te groeien, de celdeling ervan, en je 
ziet de zwevende meeuw en je ziet eerst betekenisloosheid en dan pas
de blik van de man – tot diep in de nacht blijf je aan het water zitten

en ‘s ochtends neem je hemd en broek en schoenen
en stap je door de duinen naar je auto. 

De verschillende hoedanigheden van de jij vallen uit elkaar. Terwijl zijn lichaam hem verlaat, terwijl de man in de golven verdwijnt, gaat de jij zelf rustig op het zand zitten, naast zijn netjes opgevouwen kleren die op zijn schoenen liggen. Daar beleeft hij zijn out-of-body-experience

Zijn lichaam verdwijnt in zee en gaat op ontdekkingsreis. Het is een mannenlichaam, blijkt even later, en hoewel het eerst enkel als lichaam wordt beschreven wordt het daarna aangeduid als ‘de man’ – naast decompositie is dus ook sprake van samensmelten, van het lichaam (dat enkele regels hiervoor nog niet van de man wist) met de man. 

Ondertussen is er de meeuw die alles observeert, ‘zwevend tegen de wind in’. De meeuw komt vijf keer voor in het gedicht (en nog een keer als ‘vogel’), wat de suggestie wekt dat sprake is van een allusie.

Nederlands bekendste meeuwendichter is A. Roland Holst. In Over poëtica en poëzie telt A. L. Söteman in diens werk ongeveer dertig gedichten telt waar meeuwen in voorkomen. Hij analyseert hoe A. Roland Holst in zijn poëzie de meeuw tot symbool maakt. De conclusies worden samengevat in Literair Mechaniek (Van Boven en Dorleijn): meeuwen zijn boodschappers, die een stem laten horen uit een andere wereld. 

Het zou dus goed kunnen dat de meeuw in Verhelsts gedicht naar A. Roland Holst verwijst, maar een directe allusie naar één van zijn gedichten heb ik niet gevonden. Wel doet het gedicht denken aan werk van een andere dichter, J. Slauerhoff, wiens gedicht De oude Zeeman begint met de volgende regels:

Moe is de machtige zee, moe ook de zwervende wind.
En ik dan? Een oude man en toch ook hulploos kind.
Ik wou dat ik lag op 't verlaten strand,
Waar alleen een meeuw mij nog vindt.

Net als in Verhelsts gedicht is er bij Slauerhoff sprake van een dubbele persoonlijkheid die op het strand ligt: Slauerhoffs ik is tegelijk een oude man en een kind. En net als bij Verhelst wordt die ik geobserveerd (gevonden) door een meeuw.

Hoe het ook zij – de je treedt uit zijn lichaam en dat lichaam verdwijnt in de golven ‘alsof het over de zeebodem naar een nieuw Amerika loopt’. Op ontdekkingsreis dus, maar voordat de je zijn lichaam ziet verdwijnen, kijkt dat nog één keer om; en je houdt je adem in als de regel afgebroken wordt en een nieuwe strofe begint. 

Maar niemand verandert hier in een zoutpilaar of zinkt terug in de onderwereld. Integendeel: die blik over de schouder wekt de herinnering tot leven. 

Bij de regel en de herinnering begint in je te groeien zijn we terug bij het moment dat beschreven wordt in de eerste strofe; niet meer op het strand, maar op het moment dat de je voor het raam van het huis staat: de herinnering die de je daar aankeek en door die je niet herkend werd, begint nu te groeien. 

Er vindt hier dus een werkelijke her-innering plaats: het lichaam dat de ziel verliet en in de golven verdween, wordt nu, in de vorm van een herinnering, weer deel van de je. De out-of-body-experience, waarvan in de strandscène verslag wordt gedaan, komt tot een einde.

Na de nacht op het strand doorgebracht te hebben kleedt de je zich weer aan, loopt door de duinen naar zijn auto, en bevindt zich voor het raam van het huis: de situatie van de eerste strofe. 

          Maar eerst stuit je op een verlaten huis 
en als je naar binnen kijkt zie je jezelf naar buiten kijken 

zonder blik van herkenning maar ook zonder verdriet,
zoals achter een ruit van ijs
een meeuw ter plaatse blijft zweven.

Als je naar je eigen spiegelbeeld in een raam kijkt is dit precies wat er gebeurt: je ziet jezelf naar buiten kijken. Maar de regel ‘en als je naar binnen kijkt zie je jezelf naar buiten kijken’ verwoordt ook een dieper inzicht. Wie bij zichzelf naar binnen kijkt, dat wil zeggen, wie zelfinzicht op doet, leert op een andere manier naar de wereld te kijken. 

Het gedicht doet zo denken aan de volgende passage van Gaston Bachelard, in La poétique de l’éspace (Poëtica van de ruimte): 

Ainsi, une immense maison cosmique est en puissance dans tout rêve de maison. De son centre rayonnent les vents, et les mouettes sortent de ses fenêtres. Une maison si dynamique permet au poète d’habiter l’univers. Ou, autre manière de dire, l’univers vient habiter sa maison.’ 

(‘Zo is in elke droom van een huis een immense, kosmische woning in aanleg aanwezig. Vanuit haar centrum stralen de winden uit, en de meeuwen vliegen uit haar ramen. Een zó dynamisch huis stelt de dichter in staat het universum te bewonen. Of, om het anders te zeggen: het universum komt zijn huis bewonen.’)

Daar is ook de meeuw weer terug, de meeuw die zal blijven zweven, die ongrijpbare bemiddelaar tussen de droom, de werkelijke gebeurtenissen en de lezer. 

Het is een treffende beschrijving van het raadselachtige huis dat Verhelst in zijn eerste regel heeft gebouwd. Een droom van een huis, die je niet meer loslaat als er eenmaal door het raam gluurt – omdat je dan ziet dat het universum zijn huis is binnengetrokken.

2 gedachten over “De dag waarop je voor een huis staat… (Peter Verhelst)

  1. Interessant Clovis, de vraag of er een directe (of in elk geval tastbare) allusie te vinden zou zijn naar Roland Holst.

    Ik denk in ieder geval indirect in  “Wat was”, wellicht meer nog dan in “Een winter aan zee”.

    Maar het blijft een hypothese, sluitend ‘bewijs’ is lastig.

    Waarom “Wat was” volgens mij redelijk goed past:

    Roland Holst laat daar een figuur glazen deuren openen; daarna volgt een scène van berusting, stilstand en een soort eindtijdelijke helderheid. Vervolgens vliegen meeuwen “zonder kreten” over.  

    Verhelst bouwt zijn gedicht obsessief rond ruit/glas/zand (glas als verhit zand, maar ook als reflectievlak) en rond dat verlaten huis waar je jezelf ziet kijken. 

    Die glasmotiek is zo prominent dat een echo van Roland Holsts “glazen deuren” bijna uitnodigend is.

    Cruciaal is de meeuw-observatie: bij Verhelst is het niet zomaar de meeuw, maar de leegte van de blik: woordeloos, betekenisloos. 

    Dat resoneert opvallend met Roland Holsts meeuwen die nadrukkelijk on-lyrisch passeren: zonder roep, zonder signaal. 

    Dat is niet 1-op-1, maar wel een duidelijke beeldlogica die je als allusieve knipoog kunt lezen.  

    Waarom “Een winter aan zee” ook in beeld komt:

    In dat gedicht klimt een meeuw als het ware op de kou van de stem; de meeuw is daar een drager van heimwee en stem.  

    Verhelst keert dat bijna om: zijn meeuw is eerst betekenisloosheid, en pas later groeit betekenis. 

    Het is alsof hij Roland Holsts symbolische meeuw even ontmythologiseert om hem vervolgens opnieuw symbolisch op te laden. 

    Dat is een subtiele, modernere omgang met hetzelfde icoon.  

    Het blijft gissen natuurlijk.

    Groet!

    Anton

    Like

Geef een reactie op Anton Vliegenthart Reactie annuleren