Vakmanschap (Ester Naomi Perquin)

Ondanks dat u hier terecht bent gekomen bestaat er een kans dat u geen of weinig poëzie leest.

U bent bijvoorbeeld mijn oma, zus, of iemand anders die dit eerder leest uit persoonlijke betrokkenheid dan poëtische belangstelling. Of u kwam hier toevallig, uit eenmalige nieuwsgierigheid, maar uw boekenkast bevat, een ongelezen bloemlezing daargelaten, geen poëzie. Als dit voor u opgaat, behoort u tot een grote meerderheid (iedereen schijnt gedichten te schrijven, niemand ze te lezen).

In dat geval, beste lezer, adviseer ik u het volgende te doen. Leg als u zich dat kunt veroorloven €20 opzij. Ga naar de boekwinkel en koop een dichtbundel. Trek u ergens terug waar u niet gestoord wordt, en lees één, twee uur in deze bundel. Schrijf uw gedachten, associaties, inzichten erin – u zult uw toekomstige zelf dankbaar zijn als u ze later terugleest.  

Een poëziebundel leest anders dan (beter verkochte) bloemlezingen. Langzaam word je één met de stijl van de dichter. Verbanden tussen verschillende gedichten en afdelingen worden duidelijk. Het gedicht krijgt betekenis in samenhang met de andere gedichten in de bundel, de compositie komt tot leven.

Voer dit experiment uit, het is een kleine investering van geld en tijd en wie weet welke heilzame gevolgen het voor u zal hebben. Bovendien is het risico dat u hierdoor grote of blijvende schade oploopt klein — aanvaardbaar klein, zou ik zeggen. U kunt de bundel ook aan iemand cadeau doen, voorzien van hetzelfde ongevraagde advies als ik u hier geef.

Het advies gaat op voor menige bundel. De afgelopen weken gaf ik voorbeelden van gedichten uit bundels van Yasmin Namavar, Paul Desmets, Ingmar Heytze, Sasja Janssen, Sholeh Rezazadeh en Daniël Vis. Al deze bundels kunnen u veel leesgeluk verschaffen. 

De bundel Ongevraagd advies (2022) van Ester Naomi Perquin leent zich om verschillende redenen uitzonderlijk goed voor bovenstaand advies.

In de eerste plaats natuurlijk omdat haar gedichten gewoon heel goed zijn. Je wordt er door meegevoerd. Na één, twee uur lezen ga je Perquins praten, Perquins denken, dat wil zeggen in cadans, in assonanties, onverwachte creatieve vondsten dienen zich aan en je ziet wat je daarvoor niet zag. Perquin schrijft doorgaans geen poëzie in vaste vorm (bij haar geen sonnetten, haiku’s, sestina’s of Limericks), maar ze zet verder wel het hele arsenaal aan dichterlijke technieken in – metrum, ellipsen, versregels die gaande de strofe vaak stelselmatig korter worden, enjambementen, alliteratie en assonantie, binnenrijm – the works.

In de tweede plaats is Perquins poëzie heel geestig. Niet dat u zichzelf, in eenzaamheid gezeten onder die kastanjeboom of op uw zolderkamer, schaterlachend op de dijen zult kletsen. Wel zult u glimlachen, het inwendige vrolijke dat soms diep in u verborgen zit drijft naar de oppervlakte, komt op uw gezicht tot uiting en u krijgt die zachte, warme gloed die u zo mooi maakt als u maar zijn kunt (helaas zal niemand dat zien).

Ten derde is Perquins poëzie toegankelijk – in de zin van: uitnodigend, makkelijk om binnen te treden (niet: simpel). U zou de enige niet zijn als u zich af liet schrikken door de aura van onbegrijpelijkheid die sommigen rond poëzie zien hangen. Het ene gedicht is inderdaad toegankelijker dan het andere. Dat zegt niets over de kwaliteit van de gedichten. Beweringen van het tegendeel begin deze eeuw door een toen nog veel minder bekende Ilja Leonard Pfeijffer (overigens buitengewoon vermakelijk, eloquent, erudiet en leerzaam opgetekend in Het geheim van het vermoorde geneuzel) kunnen moeilijk anders gelezen worden dan als (succesvolle) pogingen tot profilering. Perquins poëzie is én toegankelijk, én gelaagd.

Een laatste reden om u ongevraagd als hierboven te adviseren vind ik in de titel van de bundel. Ik zal er geen gewoonte van maken. Maar in dit geval: doet u het nu maar.


Dit is het gedicht Vakmanschap uit deze bundel, uit de afdeling Praat niet als het om vertragen gaat:

Vakmanschap

Jou verliezen is precisiewerk en niets voor tere zielen.
Vereist de vaardigheid te weten waar, wanneer en
wanneer niet, het verschil daartussen, de weging
van waarom, de mate van voorspelbaarheid.

Jou slordig verliezen, in het wilde weg, saamhorig
verliezen, onopgemerkt verliezen, een plant
die valt over de rand van een balkon,

verliezen dat terloops passeert, onuitgesproken blijft
of onverhoeds weer bovendrijft; het is allemaal
verliezen, geef ik toe. Maar verliezen
voor amateurs.

Jou doorlopend verliezen, professioneel verliezen,
ook nu dat duurt en duurt, jou verliezen
als een kampioen, dáár weer bescheiden over doen,
het verliezen met twee armen om
de grootste leegte heen –

Daarin sta ik, vooralsnog, volmaakt alleen.

Het gedicht begint met een constatering, een observatie: ‘Jou verliezen is precisiewerk en niets voor tere zielen.’ We weten niet wie de spreker in het gedicht is; later wordt wel een ‘ik’ geïntroduceerd. Het zou om Perquin zelf kunnen gaan maar dat hoeft niet. Net zomin is duidelijk wie de jij in het gedicht is.

De onduidelijkheid omtrent de hoofdrolspelers staat in contrast met de stellige wijze waarmee de constatering gedaan wordt; die staat als een huis. Kenmerkend voor Perquin is de manier waarop ze assonantie inzet. Alleen al in deze eerste versregel komen vier ie-klanken voor. De combinatie van al die ie’s met het gehanteerde metrum (zeven jambes) geven de zin zijn gewicht.

De eerste zin lijkt ook een referentie aan de eerste versregel The art of losing isn’t hard to master’ van het gedicht One art van de Amerikaanse dichteres Elizabeth Bishop. One art is, na Do not go gentle into that good night van Dylan Thomas, vermoedelijk de bekendste villanelle van de twintigste eeuw. Bovendien wordt de beginregel – inherent aan de vilanellevorm – drie keer herhaald, waardoor die goed aan het geheugen hecht. (Nu ik toch aan het ongevraagd adviseren ben begonnen: léés dat gedicht!)

Afgaande op die eerste zin lijken de gedichten elkaar overigens tegen te spreken, tegenover elkaar te staan, hoewel verliezen in Bishops gedicht uiteindelijk toch lastiger blijkt dan ze aanvankelijk doet voorkomen.

De volgende regels lichten toe op welke terreinen er precisie bij komt kijken:

Vereist de vaardigheid te weten waar, wanneer en
wanneer niet, het verschil daartussen, de weging
van waarom, de mate van voorspelbaarheid.

De lezer was al gewaarschuwd: niet voor tere zielen. Het is bondig weergegeven, Perquin laat vaak woorden weg in haar gedichten. Met deze ‘ellipsen’ creëert ze snelheid, je wordt direct het gedicht ingezogen en voor je het weet sta je er midden in. Uitgeschreven staat hier ‘[Jou verliezen] vereist de vaardigheid te weten waar [je te verlezen], wanneer en / wanneer niet [je te verliezen]’ etc. Dat leest een stuk onaangenamer. Het leesplezier wordt vergroot door de alliteraties (vereist, vaardigheid, verschil, voorspelbaarheid; weten, waar, wanneer, weging, waarom…).

De volgende zin het gedicht wordt uitgesmeerd over zes regels en twee strofes:

Jou slordig verliezen, in het wilde weg, saamhorig
verliezen, onopgemerkt verliezen, een plant
die valt over de rand van een balkon,

verliezen dat terloops passeert, onuitgesproken blijft
of onverhoeds weer bovendrijft; het is allemaal
verliezen, geef ik toe. Maar verliezen
voor amateurs.

De uitweidingen en in het bijzonder de overgang naar de volgende strofe bouwen spanning op, het duurt lang voordat je als lezer begrijpt dat het een opsomming van voorbeelden zijn van verliezen (‘geef ik toe’), of zelfs van slordig verliezen. Tussen die voorbeelden van manieren van verliezen staat, bijna ongemerkt, ook nog een voorbeeld-van-een-voorbeeld: ‘een plant / die valt over de rand van een balkon, // verliezen’. Merk op hoe de plant ook in de vorm van het gedicht, met twee enjambementen, over de rand gekieperd wordt. Allemaal geraffineerd, allemaal zonder twijfel met grote zorg aangebracht, en als je er niet oplet merk je het nauwelijks – passeert deze virtuositeit terloops.

De amateuristische manieren van verliezen contrasteert Perquin met de professionele:

Jou doorlopend verliezen, professioneel verliezen,
ook nu dat duurt en duurt, jou verliezen
als een kampioen, dáár weer bescheiden over doen,

Zoals de titel aankondigt: verliezen is vakmanschap. De inhoud is anders, maar de toon, de stijl hetzelfde als in de strofes ervoor, met opsommingen, voorbeelden, een achteloos binnenrijm (kampioen-doen). En dan, zonder dat een nieuwe strofe of regel begint, slaat die toon opeens om.

het verliezen met twee armen om
de grootste leegte heen –

Daarin sta ik, vooralsnog, volmaakt alleen.

Dit is de fonkelende edelsteen van het gedicht. In isolement zijn het sentimentele zinnen, gericht op effectbejag, een traan, gemaakt voor een rouwkaart. Te gemakkelijk.

Maar in het gedicht Vakmanschap is het dat niet. De rest van de tekst, hoewel die over verliezen gaat, laat zoveel machtsvertoon zien, zoveel beheersing van taal die een even grote beheersing van gevoelens suggereert, dat het slot hartverscheurend is. Weg zijn de alliteraties, weg zijn alle opsommingen. Weg is de controle. Het gedicht is niet meer beschouwend, niet langer een verhandeling óver verlies. Opeens is er een echt verlies, dat de ik voelt en waardoor die verscheurd wordt.  

Het gedachtestreepje markeert de leegte, de zin loopt weg in die leegte, kent geen einde, geen echo, loopt ook niet door na de strofe (de volgende en laatste regel begint met een hoofdletter). De leegte is groot, en de ik blijft achter en slaat zijn of haar armen om de leegte heen, misschien wel om zichzelf heen.

Na alle bravoure rest dan alleen nog die leegte. Daarin staat de ik staat ‘volmaakt’ (‘verliezen is precisiewerk’) alleen. Net als dat de laatste regel alleen staat, nog net bungelend aan het rijm.

Tot slot houdt het gedicht ons nog een raadsel voor. De ik is niet zomaar volmaakt alleen, hij of zij is vooralsnog volmaakt alleen. Het gedicht suggereert twee manieren om dit te lezen. 

Aan de ene kant past het helemaal in de schrijfstijl van het grootste deel van het gedicht, waar een zekere superioriteit uit spreekt: iedereen kan als een amateur verliezen, maar verliezen als een professional, verliezen als precisiewerk, dat is echt niet iedereen gegeven, daar moet je de kwaliteiten van de ik voor hebben, sterker nog, dat kan niemand want – in alle bescheidenheid – de ik is daar kampioen in. Vooralsnog staat hij of zij op eenzame hoogte en het zou zomaar kunnen dat die plek voorlopig door niemand bedreigd zal worden — je kunt het lezen als een uitdaging.

De andere lezing past bij de breekbare laatste drie regels. Uit ‘vooralsnog’ spreekt kwetsbaarheid, hoop. De ik staat alleen, maar klampt zich vast aan de gedachte dat dit een ‘vooralsnog alleen’ zal zijn, dat hij of zij in de toekomst niet meer alleen zal staan met het verlies. Een durven-hopen. 

Deze laatste lezing spreekt me meer aan. Het is echter de kracht van dit de tekst dat beide lezingen niet alleen mogelijk zijn, maar passen bij het gedicht.

Als u helemaal naar beneden scrollt, kunt u zich abonneren op dit blog. U ontvangt dan een e-mail bij publicatie van een nieuwe gedichtsanalyse.

Plaats een reactie