How to Read a Poem and Fall in Love with Poetry is een titel die zo lelijk is dat die redelijkerwijs iedereen die geïnteresseerd is in poëzie zou kunnen afschrikken. Toch is dit boek, van de Amerikaanse dichter Edward Hirsch, één van de mooiste boeken over het lezen van poëzie die ik ken.
Het openingsbod van het boek is dat je poëzie kunt benaderen als flessenpost, een beeld dat onder andere is gebruikt door de Russische dichter Ossip Mandelstam (1891-1938) en de Roemeense dichter Paul Celan (1920-1970). Hirsch citeert Celan als volgt:
A poem, as a manifestation of language and thus essentially dialogue, can be a message in a bottle, sent out in the – not always greatly hopeful – belief that somewhere and sometime it could wash up on land, on heartland perhaps. Poems in this sense, too, are under way: they are making toward something.
En Mandelstam:
The message in the bottle was addressed to its finder. I found it. That means, I have become its secret addressee.
De dichter heeft ervoor gekozen om het gedicht niet aan één persoon te adresseren, maar het de oceaan in te werpen in de hoop dat iemand het zal vinden. Wie de fles met het gedicht erin vindt, wordt op dat moment de adressant.
In de tweede plaats spreekt Celan van een dialoog. Dit lijkt in eerste instantie een beetje vergezocht (ik zou er een lief ding voor over hebben met Celan van gedachten te wisselen, maar diens zelfmoord in 1970 maakt elke hoop daarop ijdel), maar het einde van bovenstaand citaat verheldert wat hij bedoelde: Poems … are under way: they are making toward something. Elke brief, elke flessenpost, elk gedicht, kan uitsluitend bestaan, kan uitsluitend tot leven gekust worden bij gratie van een lezer. Lezen is een creatieve handeling: de dichter heeft deel van het werk gedaan, het kunstwerk wordt voltooid door de lezer (en zo ontstaat bij elke lezing een nieuw kunstwerk).
De bundel Postkamer (2025) van Ingmar Heytze benut de idee van het gedicht als post ten volle. De gedichten hebben titels als ‘Brief aan…’ (het noodlot, de verbouwing, de huisbaas, de koning, etc.), ‘Brief over…’ (de buitenwijk, mijn schoonmoeder, de oude feestdagen, etc.), of ‘Dreigbrief’, ‘Troostbrief’, ‘Minnebrief’. Eén van de gedichten heet verjaardagsbrief:
Verjaardagsbrief
Was het jou al opgevallen dat we zijn gestopt
met goedbedoelde dingen geven? We hebben immers
meer dan alles, we geven tegenwoordig dat we dachten
aan de ander, iets zochten dat zo mooi was dat we
tegelijk citeren: ‘In de kleur van jouw ogen zei hij,
in de kleur van jouw huid’ omdat we weten dat er,
net als in dat gedicht, geen winkel bestaat voor dingen
in die kleuren. We komen liever thuis in de herinnering
aan de eerste keer dineren in een sterrenrestaurant,
of nog eens blozend naast elkaar liggen uitblazen van
een bepaald legendarische vrijpartij. We varen al zoveel
jaar op ons schip van samen, elke dag is bekend en nieuw
tegelijk en stuurman, bootsman, kapitein, was het jou óók
opgevallen dat we al een hele tijd geleden zijn gestopt
met goedbedoelde dingen want het ruim zit al zo vol
dat zelfs mijn weemoed nergens past – ook wat we
missen (en wie) hoort erbij. Daar gaan vannacht
de dromen over: dit schip, steeds verder weg bij wie
we waren, op avontuur naar overal behalve thuis,
daar zijn we al, want thuis ben jij.
Alle gedichten zijn op te vatten als flessenpost, maar bij een gedicht dat expliciet gericht is aan een ‘jij’ is dat nog makkelijker: je kunt je voorstellen dat je zelf die jij bent en het gedicht zich dus direct tot jou richt.
Bij openen van deze post valt meteen een aantal dingen in het gedicht op. Het is vormvrij, zonder rijm en zonder indeling in strofes (‘stichisch’). Net als in veel van Heytze’s gedichten is er geen vast metrum, maar zit er zit wel een jambische cadans in veel van de versregels, bijvoorbeeld in het begin:
Was het jou al opgevallen dat we zijn gestopt
met goedbedoelde dingen geven?
Niet alleen word ik aangeschreven, mij wordt meteen een vraag gesteld. Gelukkig blijkt het een retorische: in de brief die volgt zal de auteur van de brief mij uitvoerig uitleggen wat hij of zij hier bedoelt. Wat dat hij of zij betreft: ik ben mij ervan bewust dat Ingmar Heytze een man is, maar dat dwingt mij nog niet om het ‘lyrisch ik’ dat mij hier aanschrijft ook als man te beschouwen. Sterker nog, gegeven dat ik ervoor heb gekozen om mezelf te identificeren met de ‘jij’ van het gedicht, is niet aannemelijk dat de spreker Ingmar Heytze is, omdat Heytze mij niet kent.
Het is op dit moment nog niet duidelijk wat we met het ‘we’ aan moeten. Moet ik dit lezen als ‘wij’ (de schrijver van de brief en ik gaven elkaar vroeger goedbedoelde dingen maar zijn daar in de loop der jaren mee gestopt), of als een ‘men’ (tegenwoordig geeft niemand elkaar meer goedbedoelde dingen, dat was vroeger wel anders)? Ik neig naar die laatste lezing, maar het gedicht laat vooralsnog beide mogelijkheden toe. Later in het gedicht zal het ‘we’ wel een duidelijk ‘wij’ worden.
We hebben immers
meer dan alles,
We zijn gestopt elkaar goedbedoelde dingen te geven: ‘we hebben meer dan alles’. Te veel spullen, en al die goedbedoelde dingen zijn eigenlijk alleen maar nog meer troep (toen iemand me laatst een ‘avocadosnijder’ cadeau deed realiseerde ik me dat de bodem van de onzinnigheid nog lang niet bereikt is).
we geven tegenwoordig dat we dachten
aan de ander, iets zochten dat zo mooi was dat we
tegelijk citeren
Gelukkig geven de schrijver van mijn verjaardagsbrief en ik elkaar geen goedbedoelde troep meer. We ontspullen, wat we wel geven aan elkaar is niet materieel: we geven dat we dachten aan de ander. Lief.
Let op de formulering: we vonden iets dat zózeer aan de ander doet denken, iets waarvan we allebei weten dat we het zo mooi vinden dat we het allebei kunnen citeren (we kennen elkaar dus goed), en dat ook tegelijk zullen doen.
Het enjambement na we geven tegenwoordig dat we dachten maakt nog een andere lezing mogelijk, namelijk dat we elkaar ‘een tegenwoordig’ geven. Die lezing wordt versterkt door het feit dat we tegelijk, (dus in het tegenwoordige, of, modieuzer: in het hier en nu) citeren. En dat doen we dus:
‘In de kleur van jouw ogen zei hij,
in de kleur van jouw huid’ omdat we weten dat er,
net als in dat gedicht, geen winkel bestaat voor dingen
in die kleuren.
De bundel Postkamer opent met de mededeling: Elke gelijkenis met poëzie van anderen in flarden, echo’s of citaten is louter opzet. Dat aan die opzet invulling wordt gegeven blijkt uit de verantwoording aan het einde van het boek, waar de oorsprong van een veelheid aan citaten wordt prijsgegeven.
De versregels die de we citeren komt uit het gedicht Voor zijn verjaardag van Tjitske Jansen. Het staat in haar bundel Het moest maar eens gaan sneeuwen (2003), die ik destijds kreeg van iemand die mij dierbaar is en vaak heb herlezen. In mijn geval dus, per toeval, een voltreffer – hoewel ik het gedicht van Jansen zeker niet zomaar zou kunnen citeren.
Intertekstualiteit – de verweving van en verwijzing naar andere teksten in het gedicht – brengt nieuwe stemmen in het gesprek tussen gedicht en lezer: we zijn niet meer alleen, een ander gedicht mengt zich in de dialoog.
In dit geval dus het gedicht van Jansen, waarin ook een ik-persoon op zoek naar een geschikt verjaardagscadeau en peinst: ‘Ik weet de kleur waar hij het liefst op loopt / Ik weet de kleur die hij bij voorkeur draagt // Maar lopen is niet hetzelfde als slapen / en dragen niet hetzelfde als wakker worden. // Ik heb hem dus gevraagd: in welke kleur wil jij het liefste / slapen, in welke kleur wil jij het liefste wakker worden’ – waarna het antwoord volgt zoals Heytze het citeert.
De ik in Jansens gedicht stelt echter vast dat die kleuren niet bestaan en concludeert: ‘Ik moet voor altijd // bij hem slapen.’ Of de spreker in het gedicht van Heytze daar net zo over denkt valt nog te bezien.
We komen liever thuis in de herinnering
aan de eerste keer dineren in een sterrenrestaurant,
of nog eens blozend naast elkaar liggen uitblazen van
een bepaald legendarische vrijpartij.
De brievenschrijver gaat voort op het ingeslagen pad, herinnert eraan dat we, liever dan elkaar goedbedoelde dingen geven, thuiskomen in de herinnering – waarna voorbeelden volgen. Prille voorbeelden, denk ik: blozen na een vrijpartij beklijft niet na jaren samen zijn. Zegt men. Zelfs niet na een ‘bepaald legendarische vrijpartij’ – de formulering is geestig (en een echte Heytze-zin), maar zij creëert ook afstand in de tijd: wat legendarisch is, is lang geleden.
We varen al zoveel
jaar op ons schip van samen, elke dag is bekend en nieuw
tegelijk en stuurman, bootsman, kapitein,
Tot deze versregels was de interpretatie van ‘we’ dubbelzinnig: een wij of een men. Maar vanaf dit punt in het gedicht wordt het ‘we’ indringender, is duidelijk dat het niet meer over mensen in het algemeen gaat, maar over ons. Met zijn schip van samen varieert Heytze op de bekende uitspraak van de presocratische filosoof Herakleitos dat men nooit twee keer in dezelfde rivier kan stappen; net als de rivier is elke dag bekend en nieuw tegelijk. Pantha rhei.
Terwijl wij op ons schip van samen varen, zijn de dagen ons tot stuurman, bootsman, kapitein. Het is een verrassend beeld: de tijd is hier niet het medium waardoor wij ons schip sturen, nee, de dagen sturen óns. Veel grip lijken we niet op het leven te hebben.
was het jou óók
opgevallen dat we al een hele tijd geleden zijn gestopt
met goedbedoelde dingen want het ruim zit al zo vol
dat zelfs mijn weemoed nergens past – ook wat we
missen (en wie) hoort erbij.
Hier keren de eerste zinnen van het gedicht terug. Die herhaling accentueert de verschillen. In de eerste plaats is nu evident dat het ‘we’ over ons gaat want de schrijver spreekt expliciet over ‘mijn’ weemoed. Ten tweede staat er nu dat we ‘al een hele tijd geleden zijn gestopt’. Daar zit een emotie achter die verschillend geïnterpreteerd kan worden (frustratie? Berusting? Verwijt?), maar die in elk geval verhevigt. Die verheviging intensiveert als gevolg van een derde wijziging, dit keer een omissie: in de eerste regels waren we nog gestopt met ‘goede dingen geven’, maar de situatie blijkt ernstiger: we zijn helemáál gestopt met goedbedoelde dingen.
Net als aan het begin van het gedicht wordt daar ook een verklaring voor gegeven. Maar die verklaring is wel veranderd: het ligt er niet aan dat we alles al hebben, maar dat het ruim al zo vol zit dat de weemoed van de schrijver er niet meer bij past.
Het valt op dat de spreker in het gedicht zich bij herhaling verantwoordt. De tekst bevat, niet zo gebruikelijk in poëzie, woorden die logische redeneringen impliceren (‘immers’, ‘want’). Als we deze logica nader beschouwen dan suggereert de schrijver van de verjaardagsbrief dat zolang er nog maar ruimte is voor weemoed, we niet stoppen met goedbedoelde dingen. Ofwel: voor die goedbedoelde dingen is weemoed voorwaardelijk.
Hoewel ik me niet meteen in die gedachte kan verplaatsen, is Heytze niet de eerste dichter die aandacht vraagt voor de heilzame werking van weemoed – neem bijvoorbeeld de man in Elsschots Het huwelijk, die zijn vrouw dood wil slaan maar daar niet toe komt want tusschen droom en daad / staan wetten in den weg en praktische bezwaren, / en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren. Net als bij Elsschots protagonist wordt ook in Verjaardagsbrief gedroomd:
Daar gaan vannacht
de dromen over: dit schip, steeds verder weg bij wie
we waren, op avontuur naar overal behalve thuis,
daar zijn we al, want thuis ben jij.
Het einde van het gedicht (thuis, / daar zijn we al, want thuis ben jij) lijkt op het eerste gezicht vertederend en lief. Degene die mij schrijft voelt zich geborgen, thuis bij mij. Eind goed, al goed.
Maar liggen de zaken wel zo eenvoudig? De dromen gaan erover dat dit schip (dat wil zeggen: ‘ons schip van samen’) wegvaart bij wie we waren. De vraag is waarheen.
Een gedachte zou kunnen zijn dat we dromen van wie we waren naar wie we zullen worden: samen de toekomst in. Dat zou ook goed passen bij het eerder geciteerde slot van het gedicht van Tjitske Jansen (‘Ik moet voor altijd // bij hem slapen’).
Er staat echter iets anders. Er staat dat de dromen gaan over avontuur ‘naar overal behalve thuis, / daar zijn we al, want thuis ben jij’). Thuis verwijst hier niet zoals eerder naar het verleden (‘We komen liever thuis in de herinnering’), maar naar een heden: thuis ben jij. De dromen gaan erover overal op avontuur te gaan, behalve bij onszelf.
De laatste regels werpen een schaduw over wat op het eerste gezicht een zoet gedicht lijkt. Op het eerste gezicht wekt het de indruk dat de spreker in plaats van goedbedoelde troep waardevolle dingen wil delen (herinneringen, aan elkaar denken). Maar in het slot van het gedicht staat hij of zij zichzelf ook andere dromen toe: dromen over een avontuur ver weg van elkaar.
Einde van de interpretatie van dit gedicht, zou je kunnen denken, maar om de één of andere reden zit deze lezing me niet lekker. Het is zoals met boeken en films waarin je de hoofdpersonen een ander, beter plot gunt dan de schrijver heeft bedacht. Ik wil een happily ever after.
Zijn er interpretaties om de liefde hier te redden? Misschien is de liefde van de ik en de jij in het gedicht zo sterk in het verleden geworteld dat ze kunnen dromen over andere avonturen zonder dat die liefde in gevaar komt? Maar waarom staat er dan dat ze ‘al een hele tijd geleden zijn gestopt / met goedbedoelde dingen’?
Ik kom er niet goed uit. Misschien ziet u, die deze flessenpost nu ook ontvangen heeft, een harmonieuzere interpretatie waardoor de geliefden in het gedicht voor altijd bij elkaar zullen blijven slapen? Degene met het verlossende idee krijgt van mij een avocadosnijder.
Aan de andere kant, als ik mijn sentimentaliteit overwin, is juist onderdeel van de kracht van dit gedicht dat er een steentje in je schoen achterblijft. Er wringt iets, zoals goede poëzie dat kan doen — en je juist daardoor niet meer los laat.