De met de Awater Poëzieprijs bekroonde bundel Mijn vader zegt entropie mijn moeder logica (2024) van Sasja Janssen bestaat uit vijf afdelingen met titels die aan bloemen refereren. Dat geldt ook voor het motto van de bundel, een citaat van de Oekraïens-Braziliaanse schrijfster Clarice Lispector: ‘Het is mijn ontmoeting met mijn lot, die riskante ontmoeting met de bloem.’
De afdelingen zijn omkleed met gedichten waarin geprobeerd wordt het heden te begrijpen, met titels die een poging tot definiëren lijken, zoals ‘het heden is een lach in het donker’, ‘het heden is een gramarijn’, etc. Ook in deze losse gedichten zijn er volop ontmoetingen met bloemen; alles geurt, bloeit, stuift, kleurt en bloesemt in deze bundel.
Hier is het gedicht Het heden is de derde ruimte:
Het heden is de derde ruimte
ik ben de sjwa op je tong
de vorm in jezelf
de leegte tussen jou en de ander, waar twee of drie bijeenkomen
in mijn naam, daar ben ik in hun midden
ik straal op pleinen, vliegvelden, hang om stenen parkbanden
in de organen van een bloem
in de avondster die bezig is met onze laatste dromen
de horror vacui op een oude landkaart met een verzonnen zee
om de hoeken mee op te vullen, de wereld als puzzel
ik ben de echo uit een put van niemands stem
ik ben het
in het trappenhuis, waar je struikelt over oude post
reclame en zeespeelgoed, waar het glas-in-loodlicht van zichzelf geniet
ik zweef in de achtertuinen van winkels
waar de springbalsemien stikstof vreet
in het regenlicht van dinsdagen, op metrostations
in het midden van het midden
van vergeten kamers waar de was staat, waar men iemand opbaart
in het toile de jouy-behang van een hotel
geef mij een definitie, een systeem, een theorie, een geloof
en ik maak er korte metten mee
laat mij kleuteren in jullie bardo
ik ben weg zodra je me vangt en dwaal in ieders psyche
waar geen orgaan van is gemaakt als bewijs
jullie overspelen me graag, kwijlen bij mijn naam
maar als je lijdt omdat je me niet vat, lijd jezelf maar kapot
medelijden is iets wat het verleden uitvreet
en voor toekomst heb ik geen geduld
ik ben het stuifmeel van mijn eigen tijd
De derde ruimte, waarmee het heden in de titel gelijkgesteld wordt, is een begrip dat onder andere in de sociologie wordt gebruikt. Mensen brengen veel tijd door op twee vaste plekken: hun huis (eerste ruimte) en hun werk (tweede ruimte). Bijzondere ontmoetingen vinden plaats in derde ruimtes, die ook wel tussenruimtes genoemd worden, zoals cafés, bibliotheken, parken, kerken, etc. Deze ruimtes hebben een minder gericht doel dan de eerste en tweede ruimte, waardoor er mensen bij elkaar komen wier paden anders niet zouden kruisen, gesprekken gevoerd worden die anders niet zouden ontstaan en mensen andere kanten van zichzelf laten zien.
De termen logica en entropie in de titel van de bundel suggereren een natuurkundige interpretatie van de omschrijving van tijd (heden) in termen van ruimte. Het gedicht lijkt echter weinig met de relativiteitstheorie van doen te hebben. Een metaforische interpretatie is plausibeler: net als in de derde ruimte vinden in het heden onverwachte ontmoetingen plaats. De titel van het gedicht roept ook het bekende gedicht ‘rebuut’ van Gerrit Kouwenaar op, waarin tijd in de openingsregels ook een ruimtelijke kwaliteit wordt toegedicht: ‘Het is laat zoals ieder jaar, de tijd / zit krap in zijn heden, vandaag / is steeds weer geweest.’
ik ben de sjwa op je tong
de vorm in jezelf
de leegte tussen jou en de ander, waar twee of drie bijeenkomen
in mijn naam, daar ben ik in hun midden
De ‘ik’ in de eerste regel kan gelezen worden als de derde ruimte. De ik definieert of omschrijft zichzelf in het gedicht en doet dit vaak in ruimtelijke begrippen (de vorm, de leegte, pleinen, het midden van vergeten kamers, etc.). Zo gelezen is het de derde ruimte die mij als lezer toespreekt en zichzelf beschrijft.
Een lezing die deze interpretatie vanwege de gelijkstelling van heden met derde ruimte in de titel niet ver ontloopt, is dat de ik hier het heden is. Het leidt tot een tussenstap: de ik is het heden, het heden omschrijft zichzelf als derde ruimte, en die derde ruimte manifesteert zich in allerlei voorbeelden.
Er is echter nog een andere interpretatie van het woord ik, namelijk dat de ik hier het gedicht zélf is. In die interpretatie spreekt niet het heden of de derde ruimte tot mij, maar definieert het gedicht zichzelf. Wanneer je het gedicht leest als onderdeel van de bundel, dan ligt deze lezing minder voor de hand, omdat het heden de lezer ook in andere hoedanigheden toespreekt. Toch denk ik dat de interpretatie ik=gedicht niet helemaal afgewezen kan worden, zodat een parallelle lezing mogelijk is.
De ik omschrijft zichzelf in de eerste regel als de sjwa op je tong. De sjwa is in het Hebreeuws de stomme ‘e’, die als klinkerteken onder de medeklinkers geschreven wordt, als twee puntjes onder elkaar. Hoewel (bijna) niet uitgesproken, heeft de sjwa soms wel consequenties, bijvoorbeeld voor de uitspraak van aanpalende letters of voor hoe een werkwoord vergvoegd wordt: een mooi beeld voor iets dat er, net als het heden, nauwelijks is, maar wel degelijk voelbaar is en gevolgen heeft. In de parallelle interpretatie van ik=gedicht is het een mooi beeld voor poëzie: gedichten zijn meestal korte teksten, maken net als de sjwa een kort, nauwelijks hoorbaar geluid – maar het zijn ook teksten waaraan veel betekenis wordt toegekend.
De omschrijvingen die volgen (de vorm in jezelf, de leegte tussen jou en de ander) hebben een ruimtelijk karakter. Net als de sjwa, en net als het heden, zweven ze tussen bestaan en niet-bestaan in. Iedereen zal hebben ervaren dat er een voelbare leegte tussen hem- of haarzelf en de ander kan zijn; een leegte, een niet-zijn, maar dan wel een niet-zijn dat, paradoxaal en onmiskenbaar, bestaat.
De regels erna citeren Mattheüs 18:20 en voeren zo aan dat de leegte tussen mensen van goddelijke aard kan zijn (Mattheüs 18:19-20 in de Nieuwe Bijbelvertaling: ‘Ik verzeker het jullie nogmaals: als twee van jullie hier op aarde eensgezind om iets vragen, wat het ook is, dan zal mijn Vader in de hemel het voor hen laten gebeuren. Want waar twee of drie mensen in mijn naam samen zijn, ben ik in hun midden’). In de ruimte tussen de mensen is Jezus aanwezig, zonder daar fysiek te zijn. Een andere uitleg van Mattheüs 18:20 is dat de Kerk in de kern niet een gebouw is, maar een gemeenschap – een voorbeeld van een derde ruimte.
ik straal op pleinen, vliegvelden, hang om stenen parkbanden
in de organen van een bloem
in de avondster die bezig is met onze laatste dromen
de horror vacui op een oude landkaart met een verzonnen zee
om de hoeken mee op te vullen, de wereld als puzzel
In aanvulling op de Kerk als (impliciet) voorbeeld van een derde ruimte, komen in deze passages nog enkele concrete voorbeelden van derde ruimtes voor zoals die in sociologie bedoeld worden (pleinen, vliegvelden, parken). Merk op dat, anders dan in de eerste regels, de ik hier niet stelt dat hij deze ruimtes is, maar dat hij daar straalt. Dat vergemakkelijkt de poëtische interpretatie: een opsomming van plekken waar poëzie, of dit gedicht, kan stralen.
Maar de derde ruimte presenteert zich ook in de horror vacui, de leegtevrees, waardoor vroeger landkaarten opgevuld werden met verzinsels (zoals uit de duim gezogen zeeën en monsters). Hier komt onze angst voor het heden tot uiting, in elk geval de angst voor een heden dat niet ingevuld is. Het is die angst die tot uiting komt in onze dwangmatige neiging om op elk dood moment naar een mobieltje te grijpen, als modern verweer tegen die leegte.
ik ben de echo uit een put van niemands stem
ik ben het
in het trappenhuis, waar je struikelt over oude post
reclame en zeespeelgoed, waar het glas-in-loodlicht van zichzelf geniet
Het beeld dat hier opgevoerd wordt is even schitterend als gruwelijk – verweesde putten waarin stemmen echoën die niemand toebehoren, waarin geëchood wordt wat nooit gesproken is.
De beschreven echo uit de punt wordt gevolgd door een echo in het gedicht zelf, als in de regel erna het ik ben het herhaald wordt. De echo’s worden dus niet alleen beschreven, het gedicht zelf laat ze horen.
In letterlijke zin zijn ze alleen te horen als je het gedicht hardop uitspreekt – dan hoor je echter je eigen stem (‘ik ben het, ik ben het…’), terwijl de echo’s uit de put van niemands stem zijn: zo slaagt het heden erin van zich te doen horen, inclusief echo’s, zonder zelf gesproken te hebben.
Alsof dit nog niet duizelingwekkend genoeg is, volgt na het enjambement een nieuwe strofe, waarna blijkt dat de zin gelezen moet/kan worden als ik ben het in het trappenhuis – komt die echo toch niet uit de put? Het spookt in dit gedicht, waarin een kakofonie van stemmen weerklinkt die niemand toebehoren – en voortdurend ontglipt het heden tijdens het lezen aan je.
In het trappenhuis geniet het glas-in-loodlicht ondertussen van zichzelf, waarschijnlijk omdat loodlicht een oxymoron is en dan valt er vanzelf genoeg te genieten. Het is in elk geval een radicale afwijzing van de Berkeleys stelling dat esse est percipi (zijn is waargenomen worden) – en bepaald niet de enige afwijzing van het empirisch idealisme in dit gedicht, dat de grenzen van het zijn opzoekt.
ik zweef in de achtertuinen van winkels
waar de springbalsemien stikstof vreet
in het regenlicht van dinsdagen, op metrostations
in het midden van het midden
van vergeten kamers waar de was staat, waar men iemand opbaart
in het toile de jouy-behang van een hotel
De springbalsemien biedt de ‘riskante ontmoeting met de bloem’ die dit gedicht aan het boeket van de bundel toevoegt. Het is een invasieve exoot die in Nederland inmiddels nauwelijks nog uit te roeien is en dat geldt misschien ook wel voor het heden en de derde ruimte, dat overal de kop opsteekt. Van regenlicht (op dinsdagen, althans) tot mortuaria, steeds maar weer duikt het heden in ons leven op, alsof het in het behang zit.
geef mij een definitie, een systeem, een theorie, een geloof
en ik maak er korte metten mee
laat mij kleuteren in jullie bardo
ik ben weg zodra je me vangt en dwaal in ieders psyche
waar geen orgaan van is gemaakt als bewijs
Even lijkt het gedicht hier opeens over te gaan in de gebiedende wijs (geef mij een definitie, laat mij kleuteren), alsof het heden of de derde ruimte eisen gaat stellen, een oproep doet aan de lezer tot wie het zich richt. Maar Janssen zet in deze strofe met enkele geraffineerde enjambementen de lezer op het verkeerde been. De eerste zin moet gelezen worden als ‘of je mij nu een definitie geeft … het helpt je toch niet, ik maar er korte metten mee’ en iets vergelijkbaars geldt voor de zin die met ‘laat mij kleuteren’ begint.
Dit op de verkeerde been zetten is overigens functioneel, oftewel ‘iconisch’ in deze strofe. Het is immers precies wat het gedicht over wil brengen: steeds als je het heden / de derde ruimte wil vangen, ontsnapt het aan je.
Dat korte metten maken met systeem, theorie, geloof past goed bij de interpretatie van het ik als gedicht. Het is alsof het gedicht mij, als lezer, waarschuwt: pas maar op jij, met je hermeneutische oefening, met het loslaten op mij van je theorietjes, ik laat me niet door jou in een hokje stoppen! (En kon ik maar iets terugzeggen, best gedicht: ik probeer alleen maar aandachtig naar je te luisteren, ik probeer niet om je murw te interpreteren, alleen te ontdekken wat je zegt of zou kunnen zeggen. Ik probeer in dat luisteren naar jou iets te maken.)
Ik moest opzoeken wat een ‘bardo’ is. Dat gold voor wel meer woorden in deze bundel. Te veel opzoekwerk kan irritant zijn: ik wil een gedicht, geen sudoku. Sommige recensenten uitten zich hier kritisch over (zie bijvoorbeeld deze recensie van Onno-Sven Tromp in Meander), maar persoonlijk vond ik het in deze bundel juist van toegevoegde waarde. Waar dat precies door komt weet ik niet, misschien vanwege de verleidelijke en goed gedoseerde manier waarop Janssen me naar het woordenboek bewoog, waar ik dan elke keer iets exotisch kon proeven. Hoe dan ook, ik weet nu wat een gramarijn is; en ‘bardo’ is in het Tibetaanse boeddhisme de tijdelijke toestand tussen dood en wedergeboorte – een temporele derde ruimte. Dat het woord zo goed bij het gedicht past doet het extra lekker smaken.
jullie overspelen me graag, kwijlen bij mijn naam
maar als je lijdt omdat je me niet vat, lijd jezelf maar kapot
medelijden is iets wat het verleden uitvreet
en voor toekomst heb ik geen geduld
ik ben het stuifmeel van mijn eigen tijd
De verschillende interpretaties blijven hier mogelijk. jullie overspelen me graag, kwijlen bij mijn naam is goed toepasbaar op poëzie.
In de laatste regels lijkt de interpretatie van ik-als-heden het best van toepassing: efemeer, wegstuivend zodra je het tracht te vatten en wars van verleden en toekomst. Het heden is het stuifmeel van zijn eigen tijd, elk moment, zwevend tussen bestaan en niet bestaan, bevrucht zichzelf waarna het – al dan niet via het bardo – weer opbloeit.