De bundel De schaamsoort (2024), waarmee Paul Demets de Grote Poëzieprijs won, eindigt met een brief van Demets gericht aan de Vlaamse dichter Guido Gezelle (1830-1899). ‘Fragmenten van uw werk kropen onder de huid van mijn poëzie. Ze gaan een dialoog aan met mijn gedichten, duiken erin op, terwijl ze niet noodzakelijk over hetzelfde gaan,’ schrijft Demets. ‘Ik wou uw werk niet imiteren of becommentariëren. Ik heb mijn gedichten wel door die van u laten contamineren.’
Contaminatie (besmetting) heeft een negatieve connotatie, maar het idee dat de woorden en gedachten van anderen die van jou kunnen contamineren spreekt me aan. Soms kunnen we, zowel bewust als onbewust, de stemmen van anderen direct in onze eigen woorden horen. De contaminatie die Demets toelaat komt ook tegemoet aan een praktisch probleem: Gezelle kan niet terugschrijven. Maar doordat Demets zich in diens taal uitdrukt is er op een bepaalde manier toch sprake van een antwoord, een aanwezigheid van de adressant.
Zo weerklinkt Gezelle’s eigen geluid in de hele bundel met ‘Briefgedichten aan Guido Gezelle’. Soms in citaten, soms zet Demets zich tegen diens katholicisme af, en in sommige gedichten vraagt hij hem om hulp, zoals in het gedicht hieronder. De bundel is opgebouwd uit zeven afdelingen die als titel de Latijnse benaming van de zeven hoofdzonden dragen. Het volgende gedicht is het tweede gedicht in de afdeling ‘Superbia’ (hoogmoed).
Iets drijft van me weg, G. Tussen mijn schouders
zit ik verscholen. Zo wit te midden van abutilon,
laurier en oleander. Met mijn omgeving was ik één
geworden. De afdruk van mijn ellebogen zichtbaar
op de tafel in het raam in de nacht. Kleed mij,
herkneed mij. Er bloeden aders in mijn aders.
Uit wie ik was, probeer ik mij los te woelen.
Sla de warmte van mij af. De ramen bedampen.
Ik zit in een kas op de stoel die ik al jaren bezet.
Mijn tenen kregen de kleur van aarde.
Ik vergroeide met wat ik rondom mij zag
en keek niet verder. Zaaddozen plopten open.
Kleurenblind had ik geen oog voor de bloesemval.
Ik zag alleen wat er in mijn hoofd bloeide.
Het gedicht bestaat uit veertien regels, waarmee je het met enige goede wil een sonnet zou kunnen noemen. Een beetje vergezocht lijkt me dat wel: Demets hanteert geen metrisch schema, er is geen eindrijm, en de strofische indeling (vier, drie, vier en drie versregels) is ongebruikelijk voor een sonnet.
Demets richt zich in het gedicht direct tot Gezelle, die hij als ‘G’ aanschrijft. In eerste instantie leek me dit een verwijzing naar de cyclus ‘G’ van Rutger Kopland uit zijn bundel Al die mooie beloften (1978), met daarin een aantal gedichten gericht aan G(od). Zowel inhoudelijk als qua stijl lijkt er een zeker verwantschap. Het eerste gedicht in De schaamsoort begint bijvoorbeeld met ‘Beste G, // Kan je mij zeggen wie ik ben?’, en één van de gedichten van Kopland opent met ‘Als je mij dan eindelijk zou kennen, ik / zou weggaan G, ik houd er niet van om / te worden gekend door iemand die ik niet’. Het is moeilijk voorstelbaar dat hier sprake is van toeval; toch vond ik in interviews met Demets over zijn bundel geen verwijzingen naar Kopland.
Het heeft in Nederland even geduurd voordat Guido Gezelle echt ontdekt werd, maar rond 1900 was er een ‘Gezellehype’ ontstaan. Deze wordt beschreven in de recent uitgekomen poëziegeschiedenis een nieuw geluid. De geboorte van de moderne poëzie in Nederland, van Dorleijn en Van den Akker. Volgens hen was het vooral Kloos, Vader der Tachtigers, die Gezelle op het literaire schild hief en het gezaghebbende oordeel velde van Gezelle als Tachtiger avant la lettre, bij wie ‘al vóór Tachtig alle kenmerken van de moderne poëzie waren terug te vinden.’
Iets drijft van me weg, G. Tussen mijn schouders
zit ik verscholen. Zo wit te midden van abutilon,
laurier en oleander.
In de eerste zin wordt Gezelle direct geadresseerd. De zin echoot de laatste zinnen van het openingsgedicht (‘Hier zit ik dan, wit in het wit. / Iets drijft weg, als bladeren op water’) dat, zoals hierboven al aangehaald, begon met de vraag ‘Kan je mij zeggen wie ik ben?’. Er is sprake van een zoektocht naar identiteit, de ik is op zoek naar wie hij is en er drijft ook nog ‘iets’ van hem weg.
Terwijl iets van zichzelf, iets wat hij was, van hem wegdrijft, verschuilt hij zich tussen zijn eigen schouders, ineengedoken, wit tussen kleurrijke planten. Dat hij wit is, is onderdeel van zijn identiteitsvraagstuk. Daar wordt al nadrukkelijk op gewezen in een citaat bij deze afdeling Superbia, afkomstig van Robin DiAngelo, hoogleraar whiteness studies aan onder andere de University of Washington: ‘Whiteness grants material and psychological advantages that are often invisible and taken for granted by the whites’.
Het leidt, indachtig de titel van de bundel, tot gevoelens van schaamte bij Demets. Hij vertelt er meer over in een interview in NRC (24 april 2025): ‘[Studenten] wezen mij de laatste jaren op het feit dat ik een witte man ben en dat wat ik vertelde over kunst sterk in die identiteit wortelt. Dat heeft mij wel wakker geschud, dus daar opent de bundel mee: met een man, “wit in het wit”, die zich afvraagt wat zijn positie moet zijn.’ Demets maakt onderdeel uit van een zelfbenoemde schaamsoort.
Met mijn omgeving was ik één
geworden. De afdruk van mijn ellebogen zichtbaar
op de tafel in het raam in de nacht. Kleed mij,
herkneed mij. Er bloeden aders in mijn aders.
Uit wie ik was, probeer ik mij los te woelen.
De ik, die één is geworden met zijn omgeving en daar zijn sporen achterlaat met zijn ellebogen (waarmee hij anderen weggeduwd heeft?), is ontevreden met de situatie. Hij roept Gezelle (overigens ook een witte man) op hem te herkneden en hij probeert zichzelf ‘los te woelen’ uit wie hij tot dan toe was. Hij heeft daarbij geen doel voor ogen, geen concrete nieuwe identiteit waar hij zich wél goed bij voelt — als wat hij nu is maar losgewoeld wordt.
De oproep wordt gedaan in korte, krachtige zinnen en met gebruik van de gebiedende wijs, waarbij het einde van de zin samenvalt met het einde van de versregel. De ik mag van zelftwijfel vervuld zijn, de manier van formuleren brengt urgentie, zelfs verbetenheid met zich mee – de twijfel wordt apodictisch neergepend, alsof de ik zich ervoor wil behoeden om terug te vallen in wie hij tot dan toe was. Die manier van spreken gaat door in de volgende strofe.
Sla de warmte van mij af. De ramen bedampen.
Ik zit in een kas op de stoel die ik al jaren bezet.
Mijn tenen kregen de kleur van aarde.
Ik vergroeide met wat ik rondom mij zag
en keek niet verder.
De ik zit in een kas, een beschermende, warme omgeving waarin hij zelf op kan bloeien, en houdt daar al jaren een stoel bezet – het zou de stoel kunnen zijn die hij met elleboogwerk heeft kunnen bemachtigen. Hij zit er al zo lang dat zijn tenen de kleur van aarde kregen, alsof hij wortel schoot. Hij vergroeide met zijn directe omgeving in de kas. Dan volgt de schokkende constatering, kracht bijgezet door een enjambement én de overgang naar een nieuwe strofe: hij keek niet verder dan zijn neus lang is.
Merk op dat het gedicht begint in de tegenwoordige tijd, maar vanaf de regel die begint met ‘Mijn tenen’ gaat het over in de onvoltooid verleden tijd. Vanaf dat moment krijgt het ook het karakter van een biecht – iets waar Gezelle als priester wel raad mee geweten zou hebben. Zouden we het gedicht als sonnet beschouwen (quod als gezegd non) dan zou je deze overgang als de volta kunnen zien.
Zaaddozen plopten open.
Kleurenblind had ik geen oog voor de bloesemval.
Ik zag alleen wat er in mijn hoofd bloeide.
Terwijl de wereld om hem heen verwelkt (bloesemval is het afvallen van de bloemen van planten voordat bevruchting plaats heeft kunnen vinden), heeft hij nog steeds alleen maar oog voor zijn eigen bloeiende wereld. Die wereld bloeit in zijn eigen hoofd, misschien nog die rondom hem in de kas, maar niet verder dan dat.
Of is deze interpretatie onnodig negatief? Met een bevriende dichter verkende ik een andere mogelijkheid. Zou het zo kunnen zijn dat er geen sprake is van een biecht maar juist van het tegendeel? Misschien heeft de ik van het gedicht juist eindelijk stevig zijn ellebogen in de tafel geplant, is hij geworteld geraakt, en is het besef in hem gedaald dat hij geen oog hoeft te hebben voor zaken als de bloesemval, omdat de bloei die er echt toe doet in het eigen hoofd plaatsvindt. Is de ik hier een dichter, is de ik hier — om Kloos nogmaals op te voeren — een ‘god in het diepst van zijn gedachten’?
Deze interpretatie heeft ontegenzeggelijk een bepaalde aantrekkingskracht op mij. Toch denk ik dat zij niet droog te houden is. Het motto en de interviews met Demets zou je, mits zeer streng in de leer, nog kunnen verwerpen als niet ter zake doend omdat ze geen onderdeel zijn van het gedicht zelf. Meest problematisch voor deze interpretatie lijkt mij de versregel ‘Uit wie ik was, probeer ik mij los te woelen.’ Iemand die de verlichting heeft gezien in de vorm van zijn eigen scheppingskracht probeert zich niet vervolgens daaruit los te woelen.
Ik houd daarom vast aan mijn lezing van het slot van het gedicht als biecht (of zelfkritische reflectie). De biecht eindigt met de bekentenis ‘Ik zag alleen wat er in mijn hoofd bloeide’. Biechten lucht op. Schijnt. Of priester Gezelle absolutie verleent, en zo ja welke boetedoening daarvoor nodig is, blijft in het midden.