De spreker in het volgende ongetitelde gedicht van Els Moors wil een geheim met de lezer delen. Het staat in de afdeling daags nadien van de bundel voer voor struikrovers (2025; zie ook deze recensie van de bundel in Meander).
de zon blijft bezig en de man ook dat is ons geheim voor even blijf ik verenigd met ons allemaal in dit tafereel waar het ruisen van een oceaan aan auto’s wordt overstemd door het gekwetter van vogels in de lente en het kraken van een laatste herfstblad onder de poten van de witte kater die over de hele lengte sluipend mijn territorium verkent hij gaat zitten naast het karkas van wat ooit een perelaar was en spiedt langs de stam van de dode boom omhoog dan gaat hij er net als jij vandoor
In de eerste strofe wordt de lezer door de spreker in het gedicht verleid. ‘Dit,’ fluistert deze ons samenzweerderig toe, ‘is ons geheim voor even’; een geheim dat we met de spreker delen voor de duur van het gedicht.
De lezer wordt met deze belofte het gedicht in getrokken. De spreker blijkt de kunst van het verleiden goed te beheersen, want er blijft het nodige verborgen en zo ontstaat het verlangen om steeds meer te weten.
Voorlopig is er nog weinig duidelijk, alleen dat de zon ‘bezig is’ en dat er sprake is van een man voor wie hetzelfde geldt. Waarmee ze bezig zijn blijft in het ongewisse. Het zal de lezer van de bundel vergeven worden als hij amoureuse handelingen hier als mogelijkheid beschouwt; het gedicht staat op p. 66 van de bundel, en er is dan al het nodige aan vleselijke handelijke voorgevallen – hoewel het woord ‘frottagebereidheid’ nog moet komen. De regel dat is ons geheim voor even krijgt zo ook een voyeuristische lading.
Qua vorm vallen de ee-klanken in de eerste strofe op, waarbij de woorden die deze klank hebben (bezig, even, verenigd, tafereel) een korte samenvatting lijken te vormen.
Een fundamenteel vorm-kenmerk van het gedicht is dat het geen leestekens en hoofdletters bevat – net als de andere gedichten in de bundel. Dit heeft meerduidigheid als gevolg, die wordt versterkt door de enjambementen.
Zo delen we bijvoorbeeld een geheim voor even, maar de spreker blijft tegelijk ‘voor even’ verenigd met ons allemaal in een tafereel. Dat is het tafereel waarin de zon en de man bezig blijven, en dat verder in de tweede en derde strofe geschetst wordt: in dit tafereel
waar het ruisen van een oceaan aan auto’s wordt overstemd door het gekwetter van vogels in de lente en het kraken van een laatste herfstblad onder de poten van de witte kater die over de hele lengte sluipend mijn territorium verkent
De wereldse achtergrondgeluiden, voorgesteld door het ruisen van de oceaan aan auto’s, worden overstemd door de geluiden uit de tuin. Om die geluiden hoorbaar te maken verandert het gedicht van klank, de ‘ee’ uit de eerste strofe wordt nu een ‘è’ (overstemd, gekwetter, lente, herfstblad, lengte, verkent).
We horen zowel lentegeluiden (gekwetter van vogels) als geluiden uit de herfst (het kraken van een verdroogd blad). Hoewel het woord ‘tafereel’ iets statisch suggereert, is wat we aanschouwen dynamisch. De tijd verstrijkt en er gebeurt iets.
En dan is daar die witte kater / die over de hele lengte sluipend // mijn territorium verkent. Nu wordt duidelijk welk geheim de spreker wil delen: we zijn ooggetuigen van hoe de man als een ‘witte kater’ met haar de liefde bedrijft en haar lijf (‘mijn territorium’) leert kennen.
Het is één van de mooiste zinnen (of zinsdelen) uit de bundel. Zoals het bij een goed geheim hoort, blijft alles impliciet. Wie zijn onschuld wil bewaren kan wat er staat letterlijk interpreteren: er loopt hier gewoon een kat door de tuin.
Maar er zijn te veel aanwijzingen om de dubbelzinnigheid van dit beeld te negeren. De man in de eerste regel die bezig is. Het feit dat de kater het territorium over de hele lengte (‘voer voor struikrovers’) verkent – wat suggereert dat dit ‘territorium’ langwerpig is, zoals een lichaam. En in de Bijbel betekent ‘kennen’ de liefde bedrijven, een dubbele betekenis die overgenomen is uit het Hebreeuws (lada’at).
Ten slotte is er de erotische symbolische betekenis die tuinen in elk geval sinds het Hooglied (‘Zusje, bruid, / een besloten hof ben jij, een gesloten tuin, / een verzegelde bron’) in poëzie hebben. De tuin in het gedicht is echter allesbehalve een hortus conclusus. Integendeel, de spreker lijkt een nieuwe, ondeugende invulling te geven aan de slotzin ‘il faut cultiver notre jardin’ van Voltaire’s Candide – het motto van de bundel.
Ook na het liefdesspel blijft de lezer voyeur:
hij gaat zitten naast het karkas van wat ooit een perelaar was en spiedt langs de stam van de dode boom omhoog
Het gedicht slaat opnieuw een nieuw akkoord aan, deze scène wordt begeleid door een lagere, rustigere ah-klank (karkas, van, wat, was, langs, stam, van). De beelden van lente en herfst uit de tweede strofe keren hier terug in de vorm van de perelaar (perenboom, symbool voor vruchtbaarheid) en het karkas van de dode boom.
En dan gaat hij – de man, de kater – ervandoor. Het is niet de enige plek waarin mannen een minder fraaie rol spelen en lijkt een referentie aan een ander gedicht uit deze bundel met de eerste regel hoe oud wordt de vlinder. Dat gedicht eindigt als volgt:
als mijn uur daar is zal mijn geheim zich voltrekken tot die tijd is het aan jou om mij te bezitten en te veronachtzamen aan mij is het om jou te ondergaan
Maar mannen zijn niet de enige die de dichter na het samenzijn in de steek laten. Ze gaan er net als de ‘jij’, als de lezer dus, vandoor. We hebben voor even een geheim gedeeld met de spreker, nu is zij weer alleen — net als de lezer zelf.