Dit is het gedicht grondstof uit de bundel Huishoudboekje van de verborgen dingen (2025) van Maarten van der Graaff.
grondstof
het lijkt mij onprofessioneel om al deze gedichten met elkaar te
verbinden door één lange regel
ik huur met tom en merel een kamer in een voormalig belastingkantoor
om één lange regel te schrijven
die al deze gedichten met elkaar zou kunnen verbinden
maar ik lig op de bank en krijg weinig opdrachten
laten we het materialistisch houden
de grondstof van het gedicht = mystificatie van extractie
ik moet de a12 bezetten en op tijd mijn kinderen van de opvang halen
persoonlijkheid is één lange regel
die verschillende transacties met elkaar wil verbinden
door aan één lange regel te denken
die door alle individuele gedichten loopt
probeer ik een occulte wandeling te lopen
een wandeling die mij inhaalt
een wandeling die door mij heen loopt
Jessurun d’Oliveira — één van de helden van de Nederlandse hermeneutiek — pleit in de inleiding van zijn boek Het gedicht als wereld voor de benadering van het gedicht als geïsoleerd fenomeen. ‘Men kan een gedicht zien als een geïsoleerde, beperkte hoeveelheid woorden in een zodanige combinatie, dat het bijzonder onwaarschijnlijk is deze combinatie toevallig elders aan te treffen. Achter dit unieke woordencomplex ligt een unieke wereld.’
Het is een benadering die d’Oliveira sinds de dagen van Merlyn (1962-1966) heeft bepleit. De interpretatie van het gedicht dient te worden beheerst door het waarheidsbeginsel, schrijft hij, en die waarheid moet te vinden zijn in het gedicht zelf.
Toegegeven: ik trek d’Oliveira’s woorden hier uit hun context. Het is niet zo dat hij allusie (verwijzing naar andere teksten) uitsluit als legitieme onderbouwing van een interpretatie, of dat een gedicht volgens hem niet als onderdeel van een bundel gelezen zou mogen worden.
Niettemin heeft het iets aantrekkelijks om een gedicht als geïsoleerde, op zichzelf staande tekst te zien, een eindig aantal woorden waarmee de lezer het moet doen, afgebakend zoals een schaakpartij beperkt is tot de 64 velden van het bord.
Meestal kan dat ook; maar De Graaffs bundel Huishoudboekje van de verborgen dingen (zie hier voor een recensie in NRC) dringt wel heel nadrukkelijk een benadering op waarin bij interpretatie in elk geval ook de rest van de bundel betrokken wordt.
In de eerste plaats is het alsof je bij het lezen van deze bundel een vreemde taal aan het leren bent, waarin woorden of woordgroepen een nieuwe betekenis krijgen. Om T. S. Eliot te citeren, aangehaald in Paul Claes’ vertaling van The Waste Land (‘Het barre land’): ‘Als u betreurt dat een dichter duister is (…) bedenk dan dat hij wellicht iets onder woorden heeft willen brengen wat niet anders te zeggen viel en dat in een taal die misschien het leren waard is’.
Bij het leren van de vreemde taal die Van der Graaff ontwierp, helpt het om de rest van de bundel te betrekken bij de vertaling van een gegeven gedicht.
Bovendien treedt bij lezing van het gedicht in isolatie een meer fundamentele moeilijkheid op, waar de eerste regels op zinspelen.
het lijkt mij onprofessioneel om al deze gedichten met elkaar te verbinden door één lange regel
De moeilijkheid is deze: door de hele bundel heen, van voorblad en colofon tot – en met! – de bladzijde aan het eind met auteursfoto, loopt aan de onderkant een lange regel met tekst. Op de pagina waar het gedicht Grondstof staat afgedrukt, staat bijvoorbeeld: ‘schrevene. Taakgroepen die zich vlekkeloos organiseren, jouw oksels nat van oude zorgen (het’.
Een vraag die de benadering van “het gedicht als wereld” oproept is: vormt deze regel integraal onderdeel van het gedicht Grondstof, is die onderdeel van de wereld van dit gedicht; of moeten we die als Fremdkörper negeren?
Dat laatste ligt m.i. niet voor de hand: dan had het horizontale gedicht dat door die lange regel die de bundel doorkruist gevormd wordt wel ergens anders gestaan.
Aan de andere kant hoort de regel niet bij Grondstof; het is onderdeel van een ander tekstcorpus.
Hoe het ook zij, de lange regel heeft een nadrukkelijk effect op hoe je de bundel leest. Het is alsof er een blootgelegde hoogspanningskabel dwars door de bundel loopt en er voortdurend vonken spatten als gevolg van de spanning die bestaat tussen een gedicht en deze lange regel.
De juiste manier om Grondstof te behandelen lijkt me om ook in de analyse heen en weer te springen tussen het gedicht en de lange regel.
Uit de beginregel van het gedicht spreekt ogenschijnlijk zelfspot: het lijkt de dichter onprofessioneel om de gedichten in de bundel met elkaar te verbinden door één lange regel, terwijl dat precies is wat hij doet. Maar de term ‘onprofessioneel’ is voor Van der Graaff niet noodzakelijk pejoratief. Het wordt gethematiseerd door de afdeling waarin het gedicht staat (onprofessionele hulp) en in het gedicht Derden zegt de spreker dat hij juist onprofessionele hulp wíl, en later in de bundel: ‘ik heb altijd onprofessionele hulp gezocht’. Dat de aanpak met de lange regel onprofessioneel is, beschouwt de spreker in het gedicht als een pre.
ik huur met tom en merel een kamer in een voormalig belastingkantoor om één lange regel te schrijven die al deze gedichten met elkaar zou kunnen verbinden maar ik lig op de bank en krijg weinig opdrachten laten we het materialistisch houden de grondstof van het gedicht = mystificatie van extractie
De regel met Tom en Merel is autobiografisch. In Nooit meer slapen vertelt Van der Graaff over hoe en waar hij zijn poëzie schrijft (onder andere door zichzelf veel te e-mailen) en daar komt ook de kamer die hij met deze Tom en Merel huurt te sprake. Van der Graaff schrijft het best, vindt hij, als elke magie, iedere pretentie afwezig is. Hij benadert zijn schrijverschap daarom als een kantoorbaan — kinderen naar de opvang, schrijven in een gehuurde kamer.
Zo opent dit gedicht als reflectie op zichzelf en zijn ontstaansproces. In die kamer (om ieder risico op inspiratie tegen te gaan ook nog eens een voormalig belastingkantoor) is die lange zin bedacht en vervolgens geschreven, net als de gedichten die hij verbindt.
Het schrijfproces mag dan werelds zijn, het geschrevene is dat allerminst. ‘laten we het materialistisch houden’ suggereert dat misschien op het eerste gezicht, maar niet als je eerder in de bundel het gedicht de waarheid van materie willen hebt gelezen; materie heeft niet alleen een fysische, maar ook een metafysische lading. Wat de waarheid van materie is wordt duidelijk als die grondstof sententieus gelijkgesteld wordt aan mystificatie van extractie.
De grondstof van poëzie is een extract van taal, taal die uit de werkelijkheid getrokken wordt. In de poëziepodcast zegt Van der Graaff het als volgt tegen interviewer en dichter Daan Doesborgh: ‘Wat poëzie interessant maakt … het komt altijd vanuit andere dingen. Ik heb nooit het gevoel dat iets vanuit mij komt. Dus het is niet zo van “ik heb nu iets en dan ga ik uitdrukken”. Er komen allemaal dingen op je af en daar reageer je op.’
De taal die hij aan de werkelijkheid extraheert wordt vervolgens gemystificeerd, in dichtregels en spreuken omgezet. Zelfs dan is het nog geen gedicht – maar de grondstof is dan wel gereed.
De lange regel waar ‘schrevene. Taakgroepen die zich vlekkeloos organiseren, jouw oksels nat van oude zorgen (het’ deel van uitmaakt vormt een gesprek tussen de dichter Maarten van der Graaff – of een personage met die naam – die een vorm van kunstmatige intelligentie ‘prompt’. Aan het begin van de regel wordt deze AI geïnstrueerd om te spreken als Tata Steel.
Dat Van der Graaffs lange regel zich uitstrekt over de hele bundel maakt hem niet makkelijk leesbaar, je moet voortdurend bladeren en doordat je ogen niet heen en weer kunnen springen (maar wel in verleiding komen om het gedicht dat óók op de bladzijde staat even te lezen – vonken die overspringen) ontglipt de samenhang je steeds. Dat is ongetwijfeld ook de bedoeling.
ik moet de a12 bezetten en op tijd mijn kinderen van de opvang halen persoonlijkheid is één lange regel
Net als de lange regel die door de bundel trekt is een persoonlijkheid op te vatten als één lange regel, een regel die een mensenleven bij elkaar houdt, die dwars door alle gebeurtenissen en levensfases heen gaat.
De spreker in het gedicht (de eerdere autobiografische zin suggereert om die met Van der Graaff te identificeren, maar laat ik daar voorzichtig mee zijn; elders in de bundel staat immers: De auteur van een leus is niet van belang. De leus is van de gebruikers.) verkeert in een levensfase waarin hij moet hollen van het grote, abstracte enerzijds, hier gesymboliseerd door de klimaatprotesten op de A12, en het persoonlijke, praktische anderzijds – na het maken van politieke statements moet je je haasten om op tijd de kinderen van de opvang op te halen.
Slechts twee regels, maar wat wordt hier veel uitgedrukt, over de opvattingen van de spreker/dichter, over de dichtbundel. Het is alsof hier een algebraïsche verhouding wordt weergegeven: Kinderopvang : A12 = Gedicht : Lange regel.
De zin na ‘verbinden’ loopt op de volgende regel door:
persoonlijkheid is één lange regel die verschillende transacties met elkaar wil verbinden door aan één lange regel te denken die door alle individuele gedichten loopt probeer ik een occulte wandeling te lopen
Het spervuur van enjambementen dat hier ten beste wordt gegeven, in combinatie met de afwezigheid van interpunctie (die veel van de gedichten in de bundel kenmerkt) maakt een veelheid aan lezingen mogelijk.
‘Persoonlijkheid is één lange regel’ is een goede apodictische levenswijsheid, maar de regel erna vormt een nadere beschrijving van wat die lange regel ‘wil’.
En je kunt bijvoorbeeld lezen ‘die verschillende transacties met elkaar wil verbinden, door aan één lange regel te denken’, maar je kunt ook een punt lezen naar ‘verbinden’, waarna een nieuwe zin begint: ‘Door aan één lange regel te denken die door alle individuele gedichten loopt, probeer ik een occulte wandeling te lopen’. Een occulte wandeling die verbeeld wordt door de verborgen mogelijkheden in de tekst.
‘Occulte wandeling’ was een eerdere werktitel van de bundel, zegt Van der Graaff in de hierboven aangehaalde podcast Nooit meer slapen. Het is nu de titel van een afdeling in de bundel. De gedichten daarin lijken te zijn geëxplodeerd. Ruim vijftig bladzijden lang worden op pagina’s voornamelijk wit flarden weergegeven die in andere gedichten in de bundel terug te vinden zijn, alsof ze de lucht in zijn geslingerd en daarna her en der zijn neergestort. Dit alles ondertiteld met de ‘lange regel’ die maar doorgaat en doorgaat, ontploffing of geen ontploffing.
Ondertussen ben ik voortdurend in verleiding de onderste regel op één bladzijde over te schrijven, zodat duidelijker wordt wat die nu eigenlijk zegt. Dat is echter evident niet de bedoeling en het valt niet uit te sluiten dat Van der Graaff met zijn vele zinspelingen over het occulte en over macht en magie zijn regel behekst heeft en een vloek zal neerdalen op degene die dat doet. Misschien valt het mee, maar ik durf het niet aan. Met als gevolg dat de lange regel zelf occult blijft.
De laatste versregels van Grondstof geven goed de sensatie die de afdeling occulte wandeling teweeg brengt weer:
een wandeling die mij inhaalt een wandeling die door mij heen loopt
Bladerend zweven de fragmenten van gedichten langs je heen, terwijl je steeds meer gedesoriënteerd raakt. Het is precies zoals het er staat: de occulte wandeling haalt je in, bij het lezen blader je voortdurend naar voren en dan weer terug, de wandeling loopt door je heen zoals de lange regel door de bundel loopt. Zoals op één van de bladzijden staat: ‘Elke verplaatsing is in essentie occult’.
Occult betekent volgens de Van Dale niet alleen ‘in het verborgenen’, maar ook ‘alleen voor ingewijdenen kenbaar’.
Na mijn eigen occulte wandeling door Van der Graaffs bundel heb ik, geholpen door het zoeklicht van zijn ‘lange regel’, iets van zijn taal geleerd. Een taal die, om T. S. Eliot nogmaals te citeren, zeer de moeite waard is. Ik geloof niet dat ik die taal al machtig ben; wat hij schrijft is nog verre van kenbaar voor me. Maar ik heb een eerste inwijding genoten.