Het gedicht Een woord verzetten staat in de afdeling De stilte van o, uit de bundel Barcode van stilte (2025) van Hester Knibbe.
Een woord verzetten
Je kunt wel zeggen er was eens maar niet elke
regendruppel is te achterhalen, onderscheidt zich
van water waarin het spet of is terug te vinden
in de natte vlek op een tegel zodra er sprake is
van veel. Al die afgebroken cellen
van een lichaam al die niet te tellen vervellingen
opsommen ga er maar aanstaan, je verliest je
in een zwerftocht door gebieden waarin
verliefd werd gekeken naar een toekomst die je o
zo vanzelfsprekend zou herbergen omdat je ademt
en een stem hebt, de aarde behoort je toe. En ook
de sterren: iets heb je nodig om naar te reiken hoger en
hoger te reiken tot je onmachtig maar groot en machtig
genoeg bent om een woord te verzetten, een steen
op te rapen, namen te noemen, een vinger te leggen op
kleine gebreken en dan te vragen: doet het ertoe?
Het gedicht bestaat uit drie zinnen, verdeeld over vier strofen van elk vier regels. Alle drie lopen ze over de grenzen van de strofen heen. Er komen geen personages in de zin voor, de ‘je’ heeft hier de functie van een onbepaald voornaamwoord. Er is een spreker aan het woord die enkele algemene stellingen over het bestaan uit. Het zouden slechts gedachten kunnen zijn, maar ze kunnen ook geadresseerd zijn aan iemand – bijvoorbeeld aan de lezer.
In de opening van het gedicht val je als lezer in een conversatie of gedachte die al langer gaande is, de spreker reageert ergens op:
Je kunt wel zeggen er was eens maar niet elke
regendruppel is te achterhalen, onderscheidt zich
van water waarin het spet of is terug te vinden
in de natte vlek op een tegel zodra er sprake is
van veel.
Deze eerste zin plaatst kritische kanttekeningen bij de mogelijkheid van geschiedschrijving. ‘Er was eens… een regendruppel’, zou het begin van een sprookje kunnen zijn. Maar de openingszin gelooft niet in sprookjes, en stelt alle levensfases van de druppel ter discussie.
Het verleden van de druppel is niet altijd te achterhalen: we weten niet waar elke druppel vandaan komt. In het heden, waarin de druppel in het water spet, is de druppel moeilijk van de plas te onderscheiden. En in de toekomst, als de plas water tot een natte vlek op een tegel is verworden, is de regendruppel zijn identiteit al helemaal verloren en één geworden met de plas. Spet wordt vlek. Je kunt met de woorden er was eens zo’n regendruppel wel oproepen, is de boodschap, maar het bestaan ligt een stuk ingewikkelder dan het vertellen van sprookjes.
Hierna volgt een lange zin:
Al die afgebroken cellen
van een lichaam al die niet te tellen vervellingen
opsommen ga er maar aanstaan, je verliest je
in een zwerftocht door gebieden waarin
verliefd werd gekeken naar een toekomst die je o
zo vanzelfsprekend zou herbergen omdat je ademt
en een stem hebt, de aarde behoort je toe.
De herkomst van een regendruppel is niet te achterhalen en dat geldt ook voor onszelf, ons eigen lichaam. Cellen breken af en worden vervangen door nieuwe, we dragen steeds andere huiden. Dat proces helemaal traceren, ga er maar aan staan. Als je je daar toch aan waagt, verlies je jezelf in een zwerftocht door ‘gebieden’.
De eerste regel van de derde strofe is de enige plek in het gedicht waarin de verleden tijd wordt gebruikt (verliefd werd gekeken). De gebieden waarin de zwerftocht plaatsvindt staan dus voor het verleden. Van daaruit wordt, dolend en verliefd, verlangd naar een toekomst die je o / zo vanzelfsprekend zou herbergen.
Het enjambement na ‘o’ benadrukt de dubbele lezing die hier mogelijk is. In de eerste plaats als in de uitdrukking ‘o zo vanzelfsprekend, o zo mooi etc.’ Maar ‘o’ kan hier ook staan voor ‘oorsprong’, het punt waar de x-as en y-as van een assenstelsel snijden. Of, in dit gedicht, de oorsprong van de ‘je’ in het gedicht.
Zo geïnterpreteerd is hier sprake van behoorlijk wat tijdreizen. Vanuit het heden verlies je je in een zwerftocht door het verleden, en vanuit dat verleden wordt gekeken naar een toekomst die op haar beurt haar oorsprong — dat wil zeggen, haar verleden — vanzelfsprekend zou herbergen. Het is om duizelig van te worden, en geen wonder als je je in deze zwerftocht verliest.
De zin is echter nog niet afgelopen; er volgt nog een verklaring, een uitleg voor wat er beweerd is.
De reden dat de toekomst je oorsprong vanzelfsprekend zal herbergen is omdat je ademt / en een stem hebt, de aarde behoort je toe. Pas als je leeft, als je ademt, en vooral: als je een stem hebt waarmee je woorden kan geven aan de werkelijkheid, kun je die bevatten, herbergen.
En misschien zelfs creëren. Je zou in deze passage een rehabilitatie van de woorden er was eens kunnen lezen. In de eerste strofe zagen we dat in twijfel werd getrokken hoe betekenisvol het is om het verleden te traceren (‘je kunt wel zeggen…’). Maar de woorden er was eens zijn niet alleen op geschiedschrijving gericht, ze hebben in een sprookje ook een scheppende functie. Als een sprookje begint met ‘Er was eens een prinses’, dan is er in het verhaal vanaf dat moment ook een prinses.
In dat opzicht is er een parallel tussen de woorden er was eens en het Bijbelse scheppingsverhaal. De formulering is anders: waar sprookjes een verleden (‘lang, lang geleden’) oproepen, schept de Bijbelse God het bestaan in het heden en de toekomst met zijn woorden (in de Statenvertaling): ‘En God zeide: Daar zij licht! En daar werd licht.’ Maar afgezien van de wijze van vervoeging hebben de formuleringen met elkaar gemeen dat met het werkwoord zijn iets ontstaat, iets bestaat (bestond, zal bestaan). Wie een stem heeft, beschikt over al dan niet goddelijke krachten om de werkelijkheid te scheppen.
De ontologische bespiegelingen in het gedicht doen denken aan de beroemde zinnen uit Shakespeare’s The Tempest, ‘We are such stuff / As dreams are made on; and our little life / Is rounded with a sleep’. Ons verleden is niet te achterhalen. In de toekomst verdwijnen we als regendruppels in de natte vlek op een tegel. We zijn omhuld door slaap – en daartussen is een kort tijd waarin we ademen, een stem hebben, verhalen en een werkelijkheid kunnen scheppen. De korte periode waarin we niet van slaap, maar van dromenspul zijn gemaakt.
En ook
de sterren: iets heb je nodig om naar te reiken hoger en
hoger te reiken tot je onmachtig maar groot en machtig
genoeg bent om een woord te verzetten, een steen
op te rapen, namen te noemen, een vinger te leggen op
kleine gebreken en dan te vragen: doet het ertoe?
Het woord iets, dat benadrukt wordt door inversie (iets heb je nodig), vormt voor mij de kern van dit gedicht. Dit iets vormt de nucleatiekern waar omheen een universum van betekenis kan groeien.
Betekenis bestaat niet zonder structuur, in een amorfe plas op een tegel. ‘Iets’ is nodig; een ster, een steen, iets dat ons doet reiken naar ‘hoger en / hoger’ (merk op hoe de overgang naar een nieuwe strofe de lezer tot reiken over de strofes heen dwingt).
Als er eenmaal dat ‘iets’ is, een kern, een structuur, een steen, dan zijn we weliswaar goeddeels nog steeds onmachtig, zegt het gedicht, maar toch zijn we wel groot en machtig genoeg om een aantal handelingen te verrichten.
Wat we dan kunnen doen, vindt zijn bron in taal. We kunnen een woord verzetten en namen noemen – opnieuw te lezen als een referentie naar Genesis, waarin eerst God, en daarna Adam namen geeft aan de verschillende onderdelen van de schepping.
Maar het belangrijkste dat we kunnen doen als er ‘iets’ is, en we machtig genoeg zijn om woorden te verzetten, is dat we dan kunnen spreken over de vraag: doet het ertoe?
Hiermee wordt een belangrijke filosofische kwestie aangesneden. In ons uitdijende heelal, waarin de zon en alle andere sterren gedoemd zijn uit te doven zodat we onontkoombaar afstevenen op een lege, koude, ijle, gebeurtenisloze woestenij – of zoals het gedicht zegt: een heelal waarin ons verleden niet te achterhalen is en onze toekomst verdwijnt in een vlek op een tegel – wat is de zin van het leven in zo’n heelal, wat is de betekenis ervan als we op dit loze lot afkoersen?
Ik lees een antwoord op deze vraag in het gedicht. Of liever, ik lees dat het belangrijk is om de vraag goed te stellen. De vraag ‘is iets betekenisvol tegen de achtergrond van de oneindigheid?’ is een andere vraag dan enkel ‘is iets betekenisvol?’
In het licht van de oneindigheid verdwijnen we in een structuurloze, en daarmee betekenisloze, natte vlek. De vraag doet het ertoe doet er dan zelf niet meer toe. Het heelal komt ook voort uit een (nagenoeg) structuurloze oersoep, waarin die vraag al even betekenisloos is.
Maar daartussen, in ons leven dat is rounded with a sleep van vormloze woestenij, is er ‘iets’, een druppel, iets om voor te vechten, iemand om van te houden – en ja: dat doet ertoe.
Daarmee dringt zich tot slot een poëticale uitleg op: een gedicht is zelf een iets. Een nucleatiekern, een kiem, een zygote die groeit en zich voedt met de gedachten van de lezer – en zo betekenis krijgt. Als Knibbe’s gedicht Een woord verzetten één ding aantoont dan is het wel dit: het doet ertoe.