Dit is het gedicht Standaardsituatie uit de bundel Soms blijft iets (2025) van Froukje van der Ploeg.
Standaardsituatie
De agente bekijkt de kamer en vraagt
is dit altijd zo en ik zeg: ja, dit is wel
de standaardsituatie, behalve dat de muis
op de bank er nu onder zit, de zaterdagkranten
anders bewegen over de vloer door het gat
in het raam, glas in hoopjes glinstert
als kristallen in lege theekopjes, gevallen
bloemblaadjes en losse dingen die in andere
huizen een plek hebben, misschien geef ik spullen
te veel vrijheid om te blijven waar ze vallen
door een beweging die logisch lijkt.
Nu is er een vragend gat.
De standaardsituatie is tochtig geworden
gedroogde rode vlekken meegenomen
en ik kijk wat ontbreekt. Er is juist iets
toegevoegd, bloed, wind, een afdruk van vingers
adem, een aanwezigheid die iets zocht, denk
tussen twee en vijf na middernacht, zou gemiddeld
postuur met profielzool slapen, het zijn andere
werktijden tenslotte, en weet ik pas na weken wat
ontbreekt, ben ik het einde van een aflevering, rollen
eindtune en titels over mijn bevroren gezicht.
Het gedicht speelt zich af in de woning van de spreker, waar wij getuigen zijn van een gesprek, in de tegenwoordige tijd, tussen die spreker en een agente. In veel van de gedichten in de bundel is de spreker een vrouw, daar ga ik hier ook vanuit.
De agente is aanwezig om proces verbaal te maken omdat via het raam is ingebroken. Het is een rommel, er ligt glas op de grond – en dat de agente vraagt of dit ‘altijd zo is’, is daarom opmerkelijk.
Niet minder opmerkelijk is het antwoord: ja, dit is wel / de standaardsituatie, want er volgt direct na dit antwoord een opsomming van zaken die juist afwijken van de ‘standaardsituatie’: de muis die van de bank is gevallen, de wind die door het gat in het raam waait en de zaterdagkranten ‘anders’ doet bewegen, het glas op de vloer, weggewaaide bloemblaadjes.
Maar terwijl de spreker door het huis kijkt, lijkt ze tot het besef te komen dat niet alle rommel aan de inbraak toe te schrijven is. Ze moet erkennen dat er bij haar wel vaker losse bloemblaadjes liggen, en er zijn wel meer losse dingen die in andere / huizen een plek hebben. Het gebroken glas ten spijt lijkt het er alles bij elkaar wel degelijk op zoals het huis er anders uitziet; op de ‘standaardsituatie’.
Het enjambement na ‘wel’ vestigt de aandacht op dat woord. Daarin zit een element van vastberadenheid (‘dit is wél de standaardsituatie’), maar het gevoel van berusting (‘zo is het eigenlijk wel’) prevaleert. Het is alsof de ik zich een beetje betrapt voelt door de agente terwijl ze naar haar eigen woonkamer kijkt, of door de vraag aan het denken wordt gezet. Ze mijmert hardop:
misschien geef ik spullen
te veel vrijheid om te blijven waar ze vallen
door een beweging die logisch lijkt.
Die mijmering bevat een erkenning dat de spreker een sloddervos is (misschien geef ik spullen / te veel vrijheid), maar dat weet zij direct voor zichzelf te verantwoorden: ze zijn immers gevallen door een beweging die ‘logisch’ lijkt — en wat logisch lijkt bevat zijn eigen ordering, daar moet je niet aan morrelen.
De regels zijn een uiting van een universele menselijke eigenschap, ons vermogen om ons handelen voor onszelf te rechtvaardigen. Niet voor niets heet de bundel Soms blijft iets; ik denk niet dat de vraag van de agente zal leiden tot een toekomst met een opgeruimd huis. De rommel blijft (soms) op zijn plek.
Daarna volgt een versregel die als op zichzelf staande strofe veel nadruk krijg:
Nu is er een vragend gat.
De versregel valt zelf in het gat van de witregels eromheen. Er zijn inderdaad al de nodige vragen gepasseerd, ik tel er ten minste drie. In de eerste plaats is er het vragende gat in het raam (wat was de toedracht, wie heeft er ingebroken?). Er is daarnaast de vraag ‘is dit altijd zo’ van de agente. Die is in weliswaar beantwoord (‘ja, dit is wel / de standaardsituatie’), maar als gevolg van de opsomming van uitzonderingen na ‘behalve’ niet op een eenduidige manier. Ten slotte is er de retorische vraag van de spreker: ‘misschien geef ik spullen / te veel vrijheid’. De regel die volgt is zowel letterlijk als figuurlijk op te vatten:
De standaardsituatie is tochtig geworden
gedroogde rode vlekken meegenomen
en ik kijk wat ontbreekt.
Het tocht letterlijk (wind door het gat in het raam beweegt de zaterdagkranten), maar de standaardsituatie staat ook op de tocht in de zin dat de privacy van de spreker is aangetast (eerst door de inbreker en nu door de agente), én doordat de spreker zichzelf bevraagt over de gewone gang van zaken in haar leven, die ter discussie stelt.
Dat wordt gesymboliseerd door de regel ‘gedroogde vlekken meegenomen’, die grammaticaal en semantisch afwijkt van wat gebruikelijk is. Van der Ploeg pepert haar gedichten wel vaker met zinnen die het vloeien van taal en begrip onderbreken. Het is niet duidelijk hoe de regel te interpreteren. Meest aannemelijk lijkt dat de spreker geschrokken (ook uitgedrukt in de herhaalde oo-klank in deze regel) rondkijkt en in flarden van mentale aantekeningen optekent van wat ze registreert – gedroogde rode vlekken – is er iets meegenomen?
Wellicht daartoe aangemoedigd door de agente kijkt ze om zich heen om te bepalen wat er gestolen is, wat er ‘ontbreekt’. Maar dat druist tegen haar natuur in; meteen waaieren de gedachten weer uit:
Er is juist iets
toegevoegd, bloed, wind, een afdruk van vingers
adem, een aanwezigheid die iets zocht, denk
tussen twee en vijf na middernacht, zou gemiddeld
postuur met profielzool slapen, het zijn andere
werktijden tenslotte,
Er zijn feitelijkheden toegevoegd, die ook voor de agente van belang zijn, zoals bloed – de inbreker heeft zich aan het gebroken glas gesneden – en vingerafdrukken, een voetafdruk. Maar er is ook een verhaal toegevoegd, speculaties over de ‘aanwezigheid’ in het huis, over de dief die metonymisch beschreven wordt als ‘gemiddeld postuur met profielzool’. De spreker verplaatst zich, niet zonder gevoel voor ironie, in diens leven. Zou hij nu slapen? Criminelen zullen wel andere ‘werktijden’ hebben?
Die gedachten vertolken een gevoel van medemenselijkheid. Ondanks de inbraak, ondanks de rommel in het huis, leeft de spreker zich in degene die haar bestolen heeft in. Daarnaast spreekt uit deze zinnen een poëticale opvatting. Er is weliswaar (mogelijk) iets gestolen, maar voor de dichter wordt in elke gebeurtenis vooral iets toegevoegd, iets dat tot poëzie vermaakt kan worden.
Tijdens het bezoek van de agente kan de spreker niets ontdekken dat gestolen is. Pas lang daarna lijkt er een doorbraak in haar zoektocht plaats te vinden
en weet ik pas na weken wat
ontbreekt, ben ik het einde van een aflevering, rollen
eindtune en titels over mijn bevroren gezicht.
De regel weet ik pas na weken wat krijgt nadruk door alliteratie (die nog terug reikt naar de andere werktijden). Daardoor springt de inversie in het oog; ‘ik weet pas na weken wat ontbreekt’ zou grammaticaal kloppen bij het begin van de zin. De gekozen woordvolgorde weet ik is een nieuw voorbeeld van de wijze waarop Van der Ploeg de stroom van haar gedichten ontregelt. Er lijkt hier bovendien een nieuwe vraag toegevoegd te worden aan de vele vragen die de spreker zich stelt. ‘Weet ik na weken wat?’, klinkt door in de formulering, die door het enjambement na wat een verdere dubbelzinnigheid krijgt. Wat weet de spreker na al die weken nu eigenlijk?
Of haar zelf duidelijk is wat ontbreekt blijft in het midden. De lezer krijgt het in elk geval niet te weten. Als in een aflevering van een spannende serie bevriest staat het beeld dramatisch stil en zoomt in op het bevroren gezicht van de spreker terwijl de eindtune afspeelt; antwoorden worden beloofd in een volgende aflevering (de regels verraden Van der Ploegs achtergrond in audiovisuele vormgeving).
Die belofte lost dit gedicht niet in, het verhaal heeft een open einde – maar niet voordat het ons op de valreep nog een laatste raadsel toewerpt. Als de spreker zegt dat zij het einde van een aflevering is, dan kan dit ook begrepen worden als dat hetgeen ontbreekt bij haar afgeleverd wordt. Heeft de dief berouw, brengt hij de gestolen waar terug? Of is het een bekende die bij haar ingebroken heeft en haar nu confronteert? Het antwoord ontbreekt in deze aflevering – terwijl het bevroren gezicht boekdelen spreekt.