De bundel Waar is het lam? (2022) Van Mustafa Stitou, bekroond met de Johan Polak Poëzieprijs, ontleent zijn titel aan Genesis 22. God stelt Abraham op de proef en draagt hem op zijn zoon Isaak te offeren. Aldus trekken vader en zoon op pad. Isaak weet dat ze een offer gaan brengen, maar weet niet dat hijzelf voorzien is als voorwerp daarvan.
Als ze bij de plaats van handeling aangekomen zijn, vraagt hij zijn vader verbaasd: ‘We hebben vuur en hout, maar waar is het lam voor het offer?’ Isaaks hartverscheurende (want zo naïeve) vraag galmt in Stitou’s hele bundel door.
Plastisch in een gedicht waarin met de nodige details daadwerkelijk een lam wordt geslacht. Dit wordt verteld vanuit het perspectief van het lam zelf, een voorbeeld van de bittere, treffende humor die veel gedichten in de bundel kruidt.
Een ander voorbeeld is het gedicht Offerdier waarin de lezer raadgevingen krijgt bij de aanschaf van een offerdier (‘In opdracht van het ministerie van LNV / door ons instituut ontwikkeld / dit ras: het jammert niet / om de kudde, is individualistisch / en stabiel (in alle seizoenen zichzelf).’)
De meeste gedichten hebben geen titel, dat geldt ook voor het volgende gedicht:
Er waren kamers waarin je geen raad wist met jezelf,
ruimtes waarin je gaandeweg tot een schim verwerd
die geen enkel recht van spreken had, knikken mocht je
om de stellig geformuleerde ongerijmdheden, knikken
en grinniken en af en toe een vraag stellen door vragend
het laatste woord te herhalen dat uitgesproken werd
Dat ze geen vat op je hadden zodra je de ruimte
verlaten had, dat je buiten een ander leven leidde,
een eigen leven, daar namen ze blijkbaar genoegen mee,
daar deden ze niet moeilijk over, zolang je in hun aanwezigheid
maar beaamde waarin ze geloofden, niet tegensprak
dat ze onsterfelijk zijn, dat jij onsterfelijk bent.
Het gedicht bestaat uit twee goed lopende volzinnen die elk een hele strofe vullen. Deze zinnen zijn op hun beurt opgebouwd uit gebruikelijke Nederlandse woorden: het woordenboek hoeft niet geraadpleegd te worden en van neologismen is al helemaal geen sprake. Ook in grammaticaal opzicht zijn er geen uitdagingen en interpunctie draagt bij aan het wegnemen van eventuele dubbelzinnigheden. Het gedicht rijmt niet (instemmend knikken en eventueel grinniken daarover is toegestaan) en heeft geen metrische structuur.
Het enige waardoor het gedicht zich direct als gedicht toont is de indeling in versregels en twee strofes. Natuurlijk hoeft poëzie niet uit versregels te bestaan, maar voor het overgrote deel van de gedichten is dat wel het geval. De uitzondering die hier de regel (ja…) bevestigt is het genre van de prozagedichten, waarin de regelafbrekingen afwezig zijn. Waar is het lam? bevat meerdere voorbeelden van dit genre.
Omdat regelafbrekingen en strofes zo direct in het oog springen hebben ze een signalerende functie (Van Boven en Dorleijn, Literair mechaniek). Zij vormen een teken voor de lezer: hier komt een gedicht aan, daarbij gelden andere leesregels dan bij andere teksten. Dus zet u schrap / geniet / wees alert op dubbelzinnigheden, woordgrapjes en intertekstualiteit / sta uzelf toe vrijelijk te associëren / er staat niet wat er staat – etc.
De indeling in strofen heeft in dit gedicht nog een andere functie: het gedicht is opgebouwd uit twee blokken tekst, die gezien zouden kunnen worden als twee kamers van een huis. Deze gedachte wordt versterkt door de Engelse term voor strofe, stanza, gerelateerd aan het Italiaanse stanza: kamer. Het beeld valt samen met de eerste regel van het gedicht:
Er waren kamers waarin je geen raad wist met jezelf,
Het is niet duidelijk wie de ‘je’ in deze regel is. Een mogelijkheid is dat het gedicht zich tot de lezer richt. De dichter weet natuurlijk niet wie zijn gedicht zal lezen, wie de fles met deze tekst op het strand zal vinden en openen; maar misschien heeft hij de overtuiging dat elk mens in kamers komt waarin hij of zij geen raad weet met zichzelf.
Een andere lezing is dat de spreker in het gedicht een situatie beschrijft waarin hij of zij zelf verkeerde, samen met anderen. ‘Je’ moet dan gelezen worden als een ‘men’ – zo ging het er daar aan toe, dit overkwam ‘je’. De onvoltooid verleden tijd waarin het gedicht is geschreven schraagt deze interpretatie.
Evenmin is duidelijk waar en wanneer het gedicht zich afspeelt. Het gedicht begint als een sprookje met ‘Er waren’. Maar sprookjes kleuren deze vaagheid steevast meteen een beetje in (lang, lang geleden, in een land hier ver vandaan…). Plaats en tijd blijven hier echter volledig in nevelen gehuld – het kan zich net zo goed in het Bijbelse Kanaän als gisteren in Purmerend hebben afgespeeld.
In de regels die volgen lijkt het gedicht een grimmigere wending te nemen:
ruimtes waarin je gaandeweg tot een schim verwerd
die geen enkel recht van spreken had,
Er stáát niet dat de ruimtes waar het over gaat gevangenissen zijn, maar die gedachte roept het wel bij mij op. Die gedachte wordt versterkt door andere gedichten in de bundel waarin het nodige fysiek geweld voorkomt. De gevangene heeft geen recht van spreken en verwordt langzaam tot een schim.
Er komen trouwens nogal wat schimmen voor in de bundel, die de lezer voortdurend aanzetten tot scherpstellen, opdat de betekenis niet verdwijnt als een ‘schim van een schim, gehuld in een mantel minder donker / dan de donkerte die jullie omhulde’.
Het enjambement na je gaandeweg tot een schim verwerd dwingt je als lezer om even te pauzeren, deze zin op je in te laten werken – waarna de ernst van de situatie in de volgende regel (die geen enkel recht van spreken had) verhevigt. Er kan geen twijfel over bestaan: het is niet best wat hier gebeurt.
knikken mocht je
om de stellig geformuleerde ongerijmdheden, knikken
en grinniken en af en toe een vraag stellen door vragend
het laatste woord te herhalen dat uitgesproken werd.
Knikken om stellig geformuleerde ongerijmdheden – zo ziet onderdrukking eruit en zo stel ik me gevangenschap in een minder verlicht regime voor. Dat knikken wordt er dan net als in het gedicht bij herhaling ingeramd.
Dat je ook mag grinniken verbaast me dan weer. Ik heb gelukkig geen ervaring met gevangenschap in een dictatuur (sowieso niet met gevangenschap trouwens, mijn grootste onvrijwillige vrijheidsbeperking was toen ik ooit op school moest nablijven zonder dat me duidelijk was wat me verweten werd – grinniken werd bepaald niet gewaardeerd). Maar mijn vooroordeel is dat de cipiers in dergelijke arrangementen niet gezegend zijn met de humor en zelfspot die juist onder lastige omstandigheden zo verkwikkelijk kan zijn.
Diezelfde verbazing geldt de notie dat je vragen mag stellen. Zelfs als die beperkt moeten blijven tot de op vragende toon gestelde herhaling van het laatste woord. Sterker nog, die wijze van bevragen kan iets confronterends hebben – niet voor niets is het een beproefde techniek onder therapeuten, psycholanalytici en coaches.
Die laatste gedachte suggereert, associatief, een andere interpretatie: zou het kunnen dat de ‘je’ die aangeschreven wordt hier een therapeut is? Een therapeut, die ‘geen raad wist met zichzelf’ (plausibel, lijkt me); die in ‘geen enkel recht van spreken heeft’ (het handboek coaches-therapeuten-en-andere-goede-luisteraars schrijft voor niet van alles in te vullen, niet te snel raad te geven, maar vooral met volle aandacht te luisteren); die ‘af en toe een vraag stelt’ (idem)?
Aan de andere kant – therapeuten zullen ongetwijfeld soms geen raad weten met zichzelf en zich beperken tot knikken en echoën, maar dat ze ‘gaandeweg tot een schim verworden’, en dat ze ‘geen enkel’ recht tot spreken hebben, dat lijkt toch wat overtrokken.
Andere mogelijkheden dienen zich nu aan. Kan de je in het gedicht een gezinslid zijn? Een man, die in zijn man cave vlucht en slechts een schim wordt van zichzelf? Best denkbaar. Een onderdrukte vrouw? Een gekleineerd kind?
Dat ze geen vat op je hadden zodra je de ruimte
verlaten had, dat je buiten een ander leven leidde,
een eigen leven, daar namen ze blijkbaar genoegen mee,
daar deden ze niet moeilijk over, zolang je in hun aanwezigheid
maar beaamde waarin ze geloofden
In de tweede strofe is de situatie veranderd: de gevangene weet te ontsnappen. Het lijkt overigens in algemene zin wel te kloppen dat zolang je je maar een beetje gedraagt zoals men van je verwacht (af en toe een vraag stellen binnen de grenzen van de betamelijkheid, een beetje knikken en meegrinniken), je je veel kunt veroorloven zodra je alleen bent.
Wie zich binnen ‘hun’ invloedssfeer (hun kamer?) voldoende conformeert, mag daarbuiten een eigen leven leiden zonder dat iemand daar moeilijk over doet. Moeilijk doen mensen pas als je niet in de pas loopt, lijkt het gedicht te zeggen – en dat is niet alleen in repressieve regimes zo.
niet tegensprak
dat ze onsterfelijk zijn, dat jij onsterfelijk bent.
De laatste twee regels vormen het slot van een lange zin die er op neerkomt dat ‘ze’ er blijkbaar genoegen mee namen dat ze geen vat op ‘je’ hadden zodra je de ruimte verlaten had, mits je niet tegensprak dat ze onsterfelijk zijn en dat jij onsterfelijk bent.
Kennelijk is het voor de ze niet alleen nodig dat hun eigen onsterfelijkheid niet ter discussie gesteld wordt, maar moet ook de je onsterfelijk zijn. Ze eisen de onsterfelijkheid op van degene die aan hen onderworpen is, eisen dat die onderworpene zijn onsterfelijkheid niet ontkent. Waarom zou dat laatste belangrijk voor ze zijn?
Ik denk dat de ‘ze’ absolute, abstracte ideeën nodig hebben. Dat er een goed is (ze) en een kwaad (je). Dat er een absolute hiërarchie is. Die ordening moet eeuwigheidswaarde om hun gedragingen te rechtvaardigen, om de verhouding cipier / gevangene te rechtvaardigen. De onderdrukker heeft de eeuwigheid van de idee van het kwaad, belichaamd in de gevangene, nodig.
Dit gaat mutatis mutandis ook op als de gevangenis door het gezin gevormd wordt. Onderdrukte gezinsleden die buiten de gezinssfeer om een eigen leven kunnen leiden, mits ze binnenshuis de eeuwigheid van de gezinshiërarchie maar niet weerspreken.
Al met al lijkt de bevrijding waar in de tweede strofe sprake van is van beperkte waarde te zijn. Van echte vrijheid is pas sprake als die ook bestaat in aanwezigheid van hen die je nu gevangen houden. Maar hier blijft de je een schim, opgesloten in de kamers van het gedicht.
U kunt zich ook abonneren met de knop onderaan de site (helemaal naar beneden scrollen), dan ontvangt u een e-mail wanneer ik een nieuw bericht publiceer.