maar zo mooi is een narcis (Daniël Vis)

In de bundel Aan wie, deze offers (2025) van Daniël Vis is een man aan het woord die smacht naar een kind, maar weet dat hij dat als gevolg van onvruchtbaarheid niet voort zal brengen. In veel van de gedichten spreekt hij direct tot zijn geliefde; kwetsbaar, openhartig, zelfbewust (in zijn lovende recensie van de bundel in Meander schrijft Jac Janssen: ’Vergeef mij mijn grote woorden, want de dichter zelf heeft die helemaal niet nodig in deze gedichten’; zo vergaat het mij hier precies).

In de gedichten in de bundel is het alsof iemand zacht, met lange pauzes en met nadruk spreekt en tijdens het spreken zijn littekens masseert. Er zit veel wit in de gedichten, de versregels zijn kort met vaak slechts twee, drie heffingen, de zinnen trefzeker.

Degene die aan het woord is weet zich inmiddels te verhouden tot zijn verdriet, althans tot op zekere hoogte. Heeft daar woorden aan gegeven. Woorden die het verdriet niet wegnemen, maar zijn machteloosheid gestalte geven:

Alsof er een beeldhouwer is
wier handen reeds weten

wat te doen,

slechts wachten op het materiaal 
dat daarvoor ontvankelijk is.

Maar dat materiaal is er niet. De handen blijven wachten. Als lezer houd je de hele tijd je adem in, terwijl je van binnen breekt van een verdriet dat voor jou nog nieuw, nog vers is. Je merkt hoe je lippen onbewust de woorden nabootsen bij het lezen, die woorden herhaalt als een witregel daar ruimte voor biedt. 

En de spreker gaat door, gedicht na intiem gedicht. Spreekt vaak direct tot zijn geliefde, en wij luisteren mee. Stelt veel vragen, niet om achter het antwoord te komen – de lezer kan immers niet antwoorden – maar omdat hij de lezer deelgenoot van die vragen wil maken. Omdat hij vindt dat de lezer moet weten dat die vragen bestaan, dat zij gesteld zijn. 

De gedichten zijn afzonderlijk leesbaar, maar krijgen extra lading als het grotere verhaal van de bundel in zijn geheel op de achtergrond mee galmt. Bijvoorbeeld in het volgende, titelloze gedicht:

maar zo mooi is een narcis 
nu ook weer niet.

Liever gaf ik wortels aan 
de bloemen van een kers 
of ananas,

of, beter nog, 
aan de kelk van een papaver.

Schoonheid wordt groter door gebruik. 

Ik zoek een oppervlakte 
die niet spiegelt, maar een doorgang biedt – 

hoe anders was de mythe als hij 
voorover was gedoken, 

nog eenmaal 
het lichaam 

dat het beeld 
uiteenrijt, breekt.

Ik bid voor hem een diepte te bereiken 
waarop de zon nog nauwelijks invloed heeft

en al het licht dat er is, uit de dingen zelf 
afkomstig is.


Het gedicht begint midden in een zin, zonder hoofdletter (terwijl in de rest van het gedicht wel hoofdletters en gebruikelijke interpunctie wordt aangehouden). Misschien spreekt hij iemand tegen, of is hij bezig zijn gedachten te ordenen en corrigeert hij zichzelf. Twee keer zelfs: door te beginnen met ‘maar’, en door het enjambement dat de lofzang op de narcis in de eerste regel teniet doet: maar zo mooi is een narcis / nu ook weer niet

Liever dan aan narcis geeft de spreker wortels aan de bloemen van vruchten (kers of ananas) of aan de kelk van papaver. Dit wordt toegelicht, met één van de vele aforismen die de bundel rijk is: schoonheid wordt groter door gebruik. 

Die toelichting verklaart de uitgesproken voorkeur (narcissen dragen geen eetbare vruchten, noch grondstof voor opiaten). Maar de manier waarop deze regel tussen twee witregels staat geeft hem de status van een algemene stelling of waarheid. Steriele schoonheid is volgens de spreker in het gedicht inferieur aan schoonheid die ontstaat door gebruik, schoonheid die bestaat in het ‘echte’ leven en niet in de vitrine. Het leven moet geleefd, niet bekeken worden.

Het gedicht, en deze opening, kun je goed als op zichzelf staand lezen. Maar het krijgt verdere gelaagdheid wanneer je het in samenhang met de rest van de gedichten in de bundel opvat. 

Dan klinkt bijvoorbeeld in papaver het woord ‘papa’ door, een referentie aan de kinderwens van de spreker. Papaver wordt dan zelfs het schrijnende: Papa. Ver. Het vaderschap ligt buiten bereik, en de schoonheid van het leven van de spreker komt niet tot volle uiting omdat het niet voor het vaderschap ‘gebruikt’ zal worden. 

Na die zin, die ene versregel die ons toegefluisterd wordt – ‘Schoonheid wordt groter door gebruik’ –, volgt een stilte. Een witregel, die tijd geeft om de betekenis van de uitspraak tot je door te laten dringen. En dan de volgende prachtige regels, opnieuw vastgeklonken in wit:

Ik zoek een oppervlakte 
die niet spiegelt, maar een doorgang biedt –
 

Je voelt bijna hoe de spreker je aankijkt als hij deze worden zegt, hoe de blik in zijn ogen smeekt dat je hem begrijpt. Vis (of, nauwkeuriger: de spreker die Vis opvoert) bewerkstelligt wat Engelse dichter Thomas Hardy (1840-1928) zei over poëzie: ‘The ultimate aim of the poet should be to touch our hearts by showing his’.

De spreker zoekt naar een oppervlakte die hem niet spiegelt. Iets dat juist wél spiegelt is een eigen kind; een wezen dat op jezelf lijkt. Wanneer we het gedicht opnieuw in samenhang met de rest van de bundel lezen, is de ik hier op zoek naar iets anders dan een kind. Hij zoekt een doorgang, een uitgang uit de doodlopende weg van zijn kinderwens. 

De zin is ook te lezen als een concretisering van de regel ervoor: een oppervlakte die alleen spiegelt kan schoonheid bieden, maar als die een doorgang biedt dan gebruik je haar ook — en wordt de schoonheid ervan groter. 

Voor zover daar nog twijfel over bestond is intussen duidelijk dat de openingszin van het gedicht verwijst naar de mythe van Narcissus, die verliefd werd op zijn eigen spiegelbeeld toen hij zich vooroverboog om uit een vijver te drinken – waarna hij vergat te drinken en langzaam wegkwijnde.

Het schrijnende van Narcissus’ lot is dat water bij uitstek een oppervlak heeft dat een doorgang biedt, maar dat het spiegelen hem ervan weerhield door dat oppervlak te gaan,l — wat hem noodlottig werd. Als dat nu eens niet zo was geweest:

hoe anders was de mythe als hij 
voorover was gedoken, 

nog eenmaal 
het lichaam 

dat het beeld 
uiteenrijt, breekt.

Merk op hoe de ie-klank in dit woord de klanken uit de vorige regel herhaalt (die mij niet spiegelt, maar een doorgang biedt). Het is verleidelijk om die klank-echo’s te interpreteren als een verwijzing naar de bergnimf Echo en diens hevige, uiteraard onbeantwoorde liefde voor Narcissus, want het hele gedicht rinkelt van de echo-klanken (kers/kelk, voorover gedoken; waar de regels inspringen is zelfs sprake van paarsgewijs eindrijm (halfrijm). Verleidelijk — maar vergezocht. Een mooie bijkomstigheid is het wel. 

Hoe zou het Narcissus vergaan zijn, vraagt de spreker zich af, als hij voorover was gedoken, de vijver in, met als gevolg dat hij zijn eigen goddelijk mooie evenbeeld ‘uiteenrijt, breekt’. Harde klanken in die laatste woorden, waarin de gewelddadige vernietiging klinkt als je ze hardop uitspreekt. Dit gaat over meer dan alleen een doorgang bieden, er wordt bij dat doorgaan iets verwoest, iets opgeofferd (dit roept de titel van de bundel, Aan wie, deze offers, in herinnering). 

Ik bid voor hem een diepte te bereiken 
waarop de zon nog nauwelijks invloed heeft

en al het licht dat er is, uit de dingen zelf 
afkomstig is.

De spreker wenst Narcissus diepte toe. Letterlijk, diep onder water, zodat de stralen van de zon hem niet kunnen bereiken. En figuurlijke diepgang, weg van de oppervlakte en het oppervlakkige. 

Weg van alles wat, net als hij zelf, alleen maar licht weerkaatst, naar waar de dingen zelf schijnen (al het licht dat er is, uit de dingen zelf / afkomstig is). Dat is wat hij Narcissus in zijn gebeden toewenst, en het is alles wat Narcissus in de mythe niet is.

Het gedicht lijkt hier de dialoog op te zoeken met het gedicht De waterlelie (zie hier voor een bespreking in Meander), dat de reputatie van Tachtiger Frederik van Eeden in belangrijke mate bepaalde:

De waterlelie

Ik heb de witte water-lelie lief,
daar die zo blank is en zo stil haar kroon
uitplooit in 't licht.

Rijzend uit donker-koelen vijvergrond,
heeft zij het licht gevonden en ontsloot
toen blij het gouden hart.

Nu rust zij peinzend op het watervlak
en wenst niet meer...

De gedichten zijn elkaars spiegelbeeld (!). De beweging is in omgekeerde richting: de waterlelie ‘rijst’ uit de vijvergrond, Narcissus breekt door het wateroppervlak de diepte in. Van Eeden viert de doelloze schoonheid van de waterlelie, terwijl Vis dergelijke schoonheid zonder gebruik laakt. Van Eeden viert dat de kroon uitplooit in het licht; Vis zoekt daarentegen in de diepte licht dat enkel nog van de dingen zelf afkomstig is.  

Hoewel de ‘hem’ in het gedicht waarvoor gebeden wordt naar Narcissus lijkt te verwijzen (‘hoe anders was de mythe als hij / voorover was gedoken’), klinken er ook andere betekenissen in door.

De belangrijkste is dat ‘hem’ ook naar de sprekende ‘ik’ van het gedicht kunnen verwijzen. Die schrijft immers over zichzelf ‘Ik zoek een oppervlakte / die niet spiegelt, maar een doorgang biedt’. De spreker zoekt, gedwongen door zijn onvruchtbaarheid, naar iets anders dan spiegelbeeld van zichzelf — naar iets anders dan een kind. 

Hij bidt, voor zichzelf, dat hij daarzonder diepte kan bereiken. Dat de dingen zelf, zonder te spiegelen, schijnen. Onder de oppervlakte van de Narcissus-mythe gaat dit gedicht over de betekenis van een leven zonder kinderen.

U kunt zich op deze site abonneren met de knop helemaal onderaan de pagina, dan ontvangt u een e-mail wanneer ik een nieuw bericht publiceer.



			
		

Plaats een reactie