In de bundel Neem ruim zei de zee (2024) van Sholeh Rezazadeh staat het volgende gedicht:
noem mij vuur
ik verbrand je
noem mij water
ik verdrink je
noem mij wind
ik waai door je heen
noem mij grond
ik hou je vast
noem mij droom
ik blijf in je hoofd draaien
noem mij toekomst
ik blijf op je wachten
noem mij iets
geef mij een betekenis
noem mij iets
In het gedicht komen een paar interessante linguïstische zaken voor. Daarom eerst een kort uitstapje in de taalwetenschappen.
De Russische linguïst Roman Jakobson (1896-1982) onderscheidde zes functies die taaluitingen kunnen hebben (zie ook dit recente artikel van Marc van Oostendorp op neerlandistiek.nl).
Zo gebruiken we taal vaak om te verwijzen naar iets in de empirische werkelijkheid (‘referentiële functie’), maar taal kan bijvoorbeeld ook ergens toe oproepen (‘appellatieve functie’), een emotie uitdrukken (‘expressieve functie’), of zelfs enkel bedoeld zijn om het gesprek gaande te houden (‘fatische functie’ — het zoekende hallo?! in een haperend telefoongesprek).
Jakobson introduceerde naast de bekende functies de poëtische functie. Dit is de functie waarbij de taaluiting de aandacht richt op de vorm waarin die zelf wordt voortgebracht – en het bijzondere ervan belicht. Rijm is een voorbeeld van die functie.
Hoewel de naam anders suggereert, manifesteert deze taalfunctie niet alleen in de poëzie; zij komt bijvoorbeeld ook veelvuldig in reclames voor. Omgekeerd heeft taal die gebezigd wordt in poëzie vrijwel altijd (ook) een poëtische functie.
In Literair Mechaniek (Van Boven en Dorleijn) wordt de manier waarop deze poëtische functie tot stand komt als ‘foregrounding’ omschreven: de vorm van de taaluiting wordt, door die uiting zelf, naar de voorgrond gebracht. Eén manier om foregrounding te bewerkstelligen is deviatie: de taaluiting wijkt af van wat ‘normaal’ is.
Wat normaal is kan bepaald worden door wat we in andere teksten (krantenberichten, literatuur, etc. etc.) gewend zijn; in dat geval wordt gesproken van externe foregrounding. De norm kan echter ook in het gedicht zelf tot stand worden gebracht: interne foregrounding.
Bij interne foregrounding lokt het gedicht je in de val. Het verleidt je eerst tot een bepaalde manier van lezen, en net als je denkt dat je het doorhebt, dat jij en het gedicht elkaar helemaal begrijpen, als je in slaapt gesust bent, dan wijkt het plotseling af – het rijmt niet meer, het ritme verandert, etc. En juist door die verandering krijgt de tekst zelf betekenis.
Deze aanloop brengt ons bij het gedicht van Rezazadeh, dat een intrigerend spel met interne foregrounding speelt.
noem mij vuur
ik verbrand je
De eerste regel, noem mij vuur, lijkt te zijn geschreven in de gebiedende wijs. Maar het is wel een bijzondere vorm van de gebiedende wijs, die ook voorkwam in het gedicht Het heden is de derde ruimte van Sasja Janssen, dat ik eerder besprak. In deze vorm (er is vast een naam voor, mocht u weten welke dan houd ik me aanbevolen) wordt een argumentatielijn opgezet, die gelezen kan worden als: als jij mij vuur noemt, dan verbrand ik je. Typografisch wordt deze bij Rezazadeh tot stand gebracht door het dan-gedeelte op de volgende regel te plaatsen. Het doet zo aan een IF/THEN-constructie in programmeertaal denken.
In de strofes die volgen wordt deze vorm steeds herhaald, waarbij de figuur van de anafoor (herhaling van de eerste woorden van een versregel) gebruikt wordt om de ‘norm’ van deze redenering op te zetten. Als je me vuur noemt dan verbrand ik je, als je me water noemt dan verdrink ik je, als je me wind noemt dan waai ik door je heen, etc. etc. etc.
In dat ‘etc. etc. etc.’ zit een belangrijk werkzaam element van het gedicht: de lezer gaat extrapoleren, snapt nu wel hoe het werkt, en denkt de volgende strofe al van mijlenver te zien aankomen: de norm van deze als-dan-strofes is gesteld.
Aangekomen bij de regel noem mij iets aan het slot van het gedicht verwacht je daardoor dat de ik daar, conform die norm, opnieuw een consequentie aan zal verbinden. Maar dan volgt opeens de grammaticale plotwending:
noem mij iets
geef mij een betekenis
noem mij iets
De gebiedende wijs blijkt hier opeens een echte. Het is een eis, een verzoek, een oproep: noem mij iets!, zegt de spreker in het gedicht, meteen daarna gevolgd door een volgende oproep: geef mij een betekenis!
Door af te wijken van het patroon dat in het gedicht zelf tot stand gebracht werd, ontstaat inderdaad betekenis – precies waar de spreker om vraagt.
De afwijking van het patroon dwingt tot teruglezen, tot opnieuw interpreteren wat je gelezen hebt. ‘noem mij vuur / ik verbrand je’ is in isolatie gezien misschien niet een heel opmerkelijke zin, maar de laatste drie regels van het gedicht geven er een nieuwe lading aan. Lezing van de laatste regels impliceert dat het onderwerp van dit gedicht het geven van namen is, en de eerste paar strofes zijn, kennelijk, bedoeld als voorbeelden daarvan.
Het gedicht wijst de lezer erop dat het geven van namen consequenties heeft. Het maakt de gemeenplaats ‘woorden doen ertoe’ voelbaar. Het wijst erop dat de manier waarop we mensen categoriseren, ‘in hokjes stoppen’ – niet onschuldig is, het heeft gevolgen, ook voor hoe die mensen zich gaan gedragen (die gaan je verbranden / verdrinken / je vasthouden / door je hoofd draaien, wat maar van toepassing is).
Tegelijk suggereert het gedicht dat ergens woorden aan geven, ‘iets noemen’, nodig is om betekenis op te wekken. Zonder woorden existeren de dingen alleen maar; woorden kussen ze tot leven, geven ze lading. De lading kan gevaarlijk zijn, weerstand oproepen (‘noem mij vuur / ik verbrand je’) of juist geborgenheid en aanvaarding (‘noem mij grond / ik hou je vast’), maar zonder die lading is er niets dat de moeite waard is. Deze drang naar bestaan, naar betekenis, verklaart de smeekbede van de spreker in de slotregel van het gedicht: noem mij iets!
Als we terugkeren naar Jakobsons model over de verschillende functies van taaluitingen, blijkt dit gedicht echter op geraffineerde wijze op twee borden te schaken. Het gedicht benut, zoals beschreven, de poëtische functie van taal door interne foregrounding. Maar afzonderlijk beschouwd zijn de taaluitingen in het gedicht waar zo de aandacht op wordt gevestigd inhoudelijk juist stuk voor stuk oproepen van de spreker om de referentiële functie van taal te laten werken: noem mij zus, noem mij zo, verbind woorden aan mij.
Aan de ene kant doet de spreker een beroep op de jij in het gedicht om via het geven van namen betekenis toe te kennen (waarbij, tussen twee haakjes, ook de appellatieve functie van taal nog even langs komt); en tegelijk toont het gedicht zelf aan dat betekenis ook kan ontstaan zónder het noemen van namen, namelijk door het uitoefenen van zijn poëtische functie in de hoedanigheid van foregrounding door middel van interne deviatie.
Samenvattend: de werking van de poëtische functie van het gedicht richt de aandacht op de referentiële functie van taal. De slotregels met het ‘noem mij iets / geef mij betekenis zijn nodig om de poëtische functie in werking te brengen; door hun afwijking van het patroon gaan we het belang van benoemen inzien; maar ze tonen tegelijk aan dat het benoemen (referentiële functie) niet de enige manier is om betekenis toe te kennen: dat kan de poëtische functie immers ook doen, zoals het gedicht zojuist invoelbaar heeft gemaakt. Het is een Escher-gravure waardig.
Is het gedicht daarmee uniek? Geenszins. Het taalspel dat in noem mij vuur tot stand wordt gebracht doet denken aan een ander gedicht, van Eva Gerlach:
Vocabulair
Dit is je oog. Dit is de zon. Dit koude
dat aan je trekt, is tocht door het open raam.
Dit is water, waarin je altijd past.
Dat is de ketel, die op het vuur zingt
boven de vier draaiknoppen van het gas.
Hier zie je het broodmes in zijn plank staan.
Al deze dingen moet je goed onthouden.
Vandaag of morgen krijgen ze hun zin.
Opmerkelijkerwijs wordt Gerlachs gedicht aangehaald in Lessen in lyriek (Bronzwaer 1993), ter illustratie van de consequenties die de theorie van Jakobson kan hebben. Het voert te ver om dit gedicht nu verder te bespreken; maar ook Bronzwaer gaat (kort) in op de dubbelzinnigheid in het gedicht tot stand komt:
‘Een van de meest opvallende eigenschappen van Eva Gerlachs gedicht is dat het de schijn kan wekken een toepassing van of commentaar op Jakobsons theorie van de poëtische functie te zijn’. Bronzwaer voegt daar, ietwat aanmatigend, aan toe: ‘dat Eva Gerlach op de hoogte is van Jakobsons theorie is niet waarschijnlijk en het zou er bovendien niet toe doen.’
Ik heb geen idee of Rezazadeh ‘op de hoogte is’ van Jakobsons theorie. Dat zou natuurlijk heel goed kunnen.
Wat wel klopt: het doet er niet toe. Wat ertoe doet is het intrigerende gedicht noem mij vuur.