ik zie je borstbeen branden… (Yasmin Namavar)

De veelgeprezen bundel verblijf (2025) is het debuut van Yasmin Namavar. Namavar is naast dichter ook psychiater, een combinatie met een traditie in Nederland waartoe onder anderen Vasalis, Rutger Kopland en Anna Enquist (psychoanalytica) zich mogen rekenen.

De bundel bestaat uit twee afdelingen, waarvan de eerste (‘Honger’) is opgebouwd uit vijf delen die worden ingeleid door raadselachtige, soms omineuze opdrachten. Bijvoorbeeld: de nacht was onze eerste opdracht. hij droeg een grijs jongenshemd, honds met een lange rij tanden. ik dacht verleiden, vermoorden, domesticeren, jij sloot hem op in het duister, gooide hem in een stalen kooi terwijl ik huiverde. sliepen we naast hem op de houten vloer waar kou de splinters bevroor nog voor we konden bloeden. Na deze eerste opdracht volgen vijf gedichten. Het volgende titelloze gedicht komt direct na de tweede opdracht. 

ik zie je borstbeen branden, vlammen in je colbert wagen zich aan het wol 
je fietst over de dijk van sciencepark naar huis 
de wind, katalysator dit keer 
ik roep vanaf het voetpad, doe hem uit 
het jasje met grote roze magnolia’s verkoold, verdorde tepalen verwelken tot as 
totdat alleen je shirt zichtbaar is (zacht donkerblauw badstof)
je fietst door, voel je al iets?

de zon met lentetoets rimpelt in de ringvaart 
onder je borstbeen bonkt basalt, zware kamers, bassins met zilverzwarte laag 
het groeiend mos, helpend water en het kippenvel op je arm bloeit, bloeit, bloeit!
een perkje in de stad, sneeuwklokjes, hyacinten 
dooft de fik, je ongedeerde borst, de zucht die eruit ontsnapt 
de steen tikkend, ontkleed 
ik vraag me af 
ben je opgelucht

het voorjaar is begonnen.

De personages in het gedicht bestaan uit een ‘ik’ en een ‘je’, die al in de eerste regel worden geïntroduceerd. Het is verleidelijk om een gedicht autobiografisch te lezen en de ik te identificeren met de auteur. Ook als we niet voor deze verleiding zwichten dan doemt er meteen de volgende verleiding op om er vanuit te gaan dat de ik toch minstens hetzelfde geslacht heeft als de auteur – en in dit geval dus vrouwelijk is. Die aanname is in dit geval voor zover ik kan zien echter niet te rechtvaardigen. 

Dat het hier geen theoretische kwestie betreft laat het essay Mag ik Orpheus zijn? van de in 2025 overleden dichter Esther Jansma zien. Jansma verwijt lezers biografisch te lezen, en in haar geval dus een vrouwelijke spreekstem te projecteren. De vraag of zij van haar lezers Orpheus mag zijn beantwoordt Jansma in haar essay dan ook ontkennend: 

‘Het antwoord luidt: nee, dat mag ik niet. Het “ik” dat ik opvoer, hoort dat van Eurydice te zijn en als ik Euridyce niet ben, dan moet ik maar een kind zijn, een meisje, een moeder. (…) Ik ga daar niet mee akkoord. Ik schrijf als ik daar zin in heb over mij vreemde emoties. (…) Niet de grensbewakers van de taal bepalen wat ik schrijf, maar dit veelstemmige ik van mijn eigen mij, dat zelf de pen vasthoudt en aanstuurt.’

Kortom, we kennen het geslacht van de ‘ik’ in dit gedicht niet, en dat geldt overigens ook voor de ‘jij’. (Merk overigens op dat de hier genoemde complicaties per taal verschillen; in sommige talen is geslachtstoekenning grammaticaal onontkoombaar. Het Nederlands is wat dat betreft aangenaam ambigu.)

ik zie je borstbeen branden, vlammen in je colbert wagen zich aan het wol 

Terug naar de eerste regel. De ik observeert de jij en constateert dat diens borstbeen in brand staat, met aangenaam allitererende consequenties: ‘vlammen wagen zich aan het wol’. 

Hoewel het beeld verder wordt uitgewerkt (‘het jasje met grote roze magnolia’s verkoold, verdorde tepalen verwelken tot as’) mogen we, het betreft hier tenslotte poëzie, ervan uitgaan dat er geen sprake is van een letterlijke brand, maar dat de jij gegrepen wordt door hevige emoties. Andere beelden (onder je borstbeen bonkt basalt) ondersteunen deze interpretatie.

je fietst over de dijk van sciencepark naar huis 
de wind, katalysator dit keer 
ik roep vanaf het voetpad, doe hem uit 
het jasje met grote roze magnolia’s verkoold, verdorde tepalen verwelken tot as 
totdat alleen je shirt zichtbaar is (zacht donkerblauw badstof)

Het waait als de jij in brandend colbert naar huis fietst en de wind fungeert als katalysator. Misschien omdat de jij wind mee heeft, maar ik denk dat het eerder is omdat de wind het vuur aanwakkert, zodat het jasje verkoolt. Het is kennelijk niet altijd zo dat de wind katalyseert, het gedicht benadrukt immers dat dat ‘dit keer’ het geval is. Misschien was er in eerdere, vergelijkbare situaties sprake van tegenwind? Of blies de wind de vlammen juist uit? 

Hoe dan ook, blijkbaar is de katalyse dit keer effectief, want het doorgaans trage proces van verwelking (slap worden, zijn levenskracht verliezen) van de bloemblaadjes (‘tepalen’) leidt hier direct tot asvorming, als gevolg waarvan het shirt zichtbaar wordt – iets wat eenvoudiger bereikt had kunnen worden als de jij het advies om het verkoolde colbert uit te trekken niet in de wind had geslagen. 

Tussen haakjes beschrijft de dichter de kleur van het shirt. Deze methode gebruikt Namavar vaker in de bundel. Zij wekt de indruk dat de dichter zelf even door de tekst heen spreekt, ingrijpt, haar gezag doet spreken om belangrijke details feitelijk weer te geven. Een ander voorbeeld daarvan staat in het openingsgedicht: ‘(mijn moeder lust geen stroopwafels)’ – zo zit het, en niet anders, het is maar dat je het weet.

(Om hier zelf iets tussen haakjes toe te voegen: ik ben weleens op het Science Park in Amsterdam geweest. Het betreft slechts een steekproef, toch durf ik op basis daarvan de stelling aan: wollen colberts met daarop grote roze magnolia’s zijn daar schaars. Het badstoffen shirt eronder vergroot de geloofwaardigheid echter aanzienlijk.)

De eerste strofe eindigt met een onverwachte wisseling van perspectief. De ik die zich tot dan toe beperkte tot een beschrijving van wat de jij overkomt wendt zich opeens direct met een vraag tot diezelfde jij: 

je fietst door, voel je al iets? 

Voel je al iets? Dat zou je toch denken als je in een brandend colbert naar huis fietst, maar kennelijk is de ik daar toch niet zo zeker van. Brandt dat borstbeen echt wel? Of brandt het alleen in de fantasie van de ik, vindt de ik dat het borstbeen zou móeten branden? Overtuigd is hij/zij kennelijk niet. Na het dramatische beeld van de vlamvattende fietser gaat de twijfel die in deze vraag doorklinkt door merg en been.

De zon met lentetoets rimpelt in de ringvaart

De schitterende zin waarmee de tweede strofe begint, opnieuw lustig allitererend, vindt haar hoogtepunt in het dubbelzinnige woord lentetoets. ‘Toets’ kan iets zeggen over de kleur van de zon, maar het betekent hier ook ‘test’, alsof de vraag waarmee de eerste strofe eindigt getoetst kan worden. 

onder je borstbeen bonkt basalt, zware kamers, bassins met zilverzwarte laag 
het groeiend mos, helpend water en het kippenvel op je arm bloeit, bloeit, bloeit!

Hoewel in het rimpelen van de ringvaart misschien nog aarzeling doorklonk, lijkt het alsof de toets succesvol doorstaan wordt met dat onder het borstbeen bonkende basalt (!) en alle diepgang die daarbij komt kijken. Maar de eerder geuite twijfel kan niet met alleen krachttermen weggenomen worden en het ‘bloeit, bloeit, bloeit!’ komt op mij eerder als een bezweringsformule dan een constatering over. Er blijkt niet meer nodig dan wat lentegroen in de stad om het vuur te doven:

een perkje in de stad, sneeuwklokjes, hyacinten 
dooft de fik, je ongedeerde borst, de zucht die eruit ontsnapt 
de steen tikkend, ontkleed 

Het enjambement draagt hier bij aan de anticlimax, die na eerdere de klaroenstoot toch als een verrassing komt. Grootmeesterlijk is de antimetrie in de tweede regel. Deze begint met een zes trocheeën die een bezwerend effect hebben (dóóft de fík, je óngedéérde bórst, de zúcht), maar hapert bij ‘die eruit’: dat past niet in dat ritme, waardoor je bij lezen even moet pauzeren en er bijna toe gedwongen wordt zelf een zucht te slaken. 

Van het basalt is nu enkel een naakt (misschien nog gehuld in zacht donkerblauw badstof?) tikkend steentje over. Daarmee is ook de twijfel terug: 

ik vraag me af 
ben je opgelucht

het voorjaar is begonnen.

Aan het einde van het gedicht gekomen resteren twee kwesties. De eerste kwestie betreft de relatie tussen de ik en de jij. Hoewel het gedicht begint op het Science Park (een locatie die men misschien niet direct zal associëren met gepassioneerde emoties) is duidelijk dat hier gemoederen geroerd worden. Het brandende borstbeen en daaronder het basalt dat bonkt: er is liefde in het spel, in elk geval van de ik voor de jij. 

De gevoelens van de jij zijn minder duidelijk. Zoals gezegd lijkt de ik emoties op de jij te projecteren, maar het is niet zeker of dat gerechtvaardigd is. De jij fietst naar huis, maar niks wijst erop dat dit ook het huis van de ik is. Misschien is de relatie zojuist verbroken en fietst de jij daarom naar huis, geholpen door de wind en opgelucht, blij dat het voorjaar en dus een nieuw begin voor de deur staat. 

Deze lezing vindt ook ondersteuning bij de ‘opdracht’ die dit deel van de bundel krijgt: ‘(…) [we] telden de kogels in onze broekzak en gingen ieder onze eigen weg, bewaarde munitie voor de toekomst.’ Ten slotte past deze lezing goed bij de titel van de bundel. Op het omslag wordt die bij wijze van woordspel gespeld als VER / blijf: de jij is inmiddels ver van de ik verwijderd, maar deze hoopt dat die toch bij haar of hem blijft.

De titel van de bundel speelt ook een rol bij het antwoord op de tweede vraag: vanuit welk perspectief wordt hier verteld?

Aanvankelijk lijkt dat vrij duidelijk, er staat immers: ‘ik roep vanaf het voetpad’. Dat lijkt niet voor meerdere uitleg vatbaar, hoewel het ook vragen oproept: de jij is immers vanaf Science Park vertrokken, heeft de ik hem of haar opgewacht op het voetpad langs de dijk? Misschien is de ik een stuk achter de jij aangerend? 

Maar terwijl de ik zich afvraagt of de jij al iets voelt, fietst deze door, langs de Ringvaart, richting de stad, richting de Amstel. Richting huis. Dit alles verteld in de tegenwoordige tijd, maar er is wel degelijk tijdsverloop. 

De ik ontstijgt daarbij zichzelf. Het lichaam blijft misschien op dat voetpad achter, maar diens blik volgt de weg fietsende jij, en ziet hoe er, naar we mogen vermoeden al ver weg van het Science Park, een zucht aan diens borst ontsnapt. Waarmee Namavar knap dezelfde spanning tot stand brengt die de titel van de bundel belooft: ver-blijf.